Een opera in de hitparade

Het gebeurt maar zelden dat een opera in de top 40 beland. Laat staan een onbekende opera zonder wereldberoemde zangers. Treemonisha (gecomponeerd door Scott Joplin in 1910) lukte het, bijna op de kop af 40 jaar geleden. De song Aunt Dinah sloeg in als een bom en bestormde wereldwijd de hitlijsten: in Nederland haalde het singletje de 5e plaats en bleef hij 9 weken plakken.

Scott Joplin (1868-1917): razend populair tijdens zijn leven, daarna in het vergeethoekje beland. Wat is er gebeurd waardoor hij ineens in de hitlijsten belandde, en in 1976 postuum een Pulitzer Prize kreeg voor zijn bijdrage aan de Amerikaanse muziek? Zelfs zijn meest bekende nummer ‘The entertainer’ gecomponeerd in 1902, inmiddels klassiek canon voor beginnende pianisten, dankt zijn populariteit aan de 70’s. Om precies te zijn, aan de grote Oscarwinnaar van 1973: “The Sting”, met Robert Redford en Paul Newman in de hoofdrollen als meester-oplichters. Componist Marvin Hamlisch liet zich inspireren door ragtime, en nam een aantal nummers van Scott Joplin op in de soundtrack. Zijn bewerking van ‘The entertainer’ werd de herkenningsmelodie van de film én een grote hit.

Maar de opmars van Joplin begon enkele jaren daarvoor, toen hij officieel herontdekt werd door musicoloog, pianist en dirigent Joshua Rifkin, momenteel professor of Music in Boston. In november 1970 bracht Rifkin bij het strikt klassieke platenlabel Nonesuch een album uit met de titel “Scott Joplin: Piano Rags”. Voor de eerste keer verkocht het label meer dan een miljoen exemplaren van een plaat: een verbijsterend commercieel succes. In 1972 werd Treemonisha voor het eerst uitgevoerd door de Atlanta Symphony en in 1973 was het Gunther Schuller die de eerste Grammy won met Joplins muziek: “Scott Joplin: The Red Back Book”. Hamlich leende weer een aantal van Schuller’s orkestraties van Joplins zogenaamde “Standard High-Class Rags” (1912) voor de filmmuziek van The Sting. En zo was de voedingsbodem gezaaid voor het jaren 70 succes van deze opera van Scott Joplin.

Niet alleen de onverwachte populariteit is opvallend. Het werk an sich is een raadsel op meerdere fronten. Toen de opera gepubliceerd werd in 1911, prees de American Musician and Art Journal het stuk al aan als “…an entirely new form of operatic art.” Saillant detail is dat Treemonisha tijdens Joplins leven nooit de planken heeft gehaald, dat gebeurde pas 60 jaar later. Hoewel het elementen bevat van ‘zwarte’ volksmuziek en -dansen, een soort van pre-blues muziek, spirituals en een kenmerkende ‘call-and-response’ scene, is het allesbehalve een ‘zwarte’ opera. En het is zeker geen ragtime opera, zoals het werk vaak abusievelijk wordt genoemd. De opera is volkomen traditioneel opgezet in de populaire romantische stijl van begin 20e eeuw, met alles erop en eraan: ballet, ouverture, prelude, koren, aria’s en recitatieven.

Treemonisha gaat over een voormalige slavengemeenschap in een bos, in de regio waar Joplin opgroeide. De heldin, de 18-jarige Treemonisha, leert lezen van een blanke vrouw en beschermt daarna haar ‘volk’ tegen degenen die misbruik willen maken van hun bijgeloof en hun gebrek aan educatie. Ze wordt ontvoerd en bijna in een wespennest gegooid als haar vriend Remus haar weet te redden. Hierna kiest de gemeenschap haar tot hun leider omdat ze zich realiseren dat kennis hier hun redding is geweest. De pers noemde het in de jaren 70″…a startlingly early voice for modern civil rights causes, notably the importance of education and knowledge to African American advancement.”

Anno 2016 is een discussie gaande over een verontrustende stagnatie in de opera-praktijk. Belangrijke regisseurs en vooraanstaande academici zien de toekomst van de klassieke opera en de regisseurs-opera somber in. Sinds de 19de eeuw hebben klassieke muziek en opera een soort status aparte in Europa, het is kunst voor de kunst, l’art pour l’art, waarin zij geen maatschappelijke functie hoeft te vervullen. Er gaan stemmen op dat hierdoor de opera op termijn de aansluiting met een groot deel van de maatschappij – en daarmee het potentiele publiek – heeft verloren. Misschien heeft Scott Joplin hiervoor met Treemonisha een oplossing gevonden. Het is een echte opera volgens de klassieke regels, maar met een hoog entertainment gehalte door het gebruik van populaire muzikale elementen en een herkenbaar verhaal. Een opmerkelijk staaltje van publieksgericht én maatschappijkritisch componeren, des te verbazingwekkender omdat het is ontstaan in een tijd waarin educatie en culturele bagage vrijwel uitsluitend aan blanken waren voorbehouden. Maar volgens mij is en blijft vooral de aanstekelijke muziek de hoofdoorzaak van de ongekende populariteit. Want waarom zou opera niet ook entertainment mogen zijn? Joplin was zelf “The entertainer”, en zijn lef om een nieuw soort opera proberen te scheppen werd in ieder geval uiteindelijk beloond met een mega-hit.

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer

Het Bos- een playlist.

Zet een paar bomen bij elkaar en er ontstaat een systeem, een levend mechanisme, een wezen dat ademt, grinnikt, glimlacht en nukkig is met donkere grillen en grollen. Kortom: het bos. Marije de Boer laat je het temperament van het bos begrijpen met haar playlist.

Noem me sentimenteel, verwijt me kinderachtigheid, maar wanneer ik denk aan het bos dan zie ik kabouters die onder hun paddenstoelen vandaan komen om het bos te ontdekken. In het nummer- Sun My Sweet Sun – van Red Axes merk je de voorzichtigheid van de kabouters, geen mens mag ze immers ooit betrappen op hun bestaan. Vandaar het zenuwachtige gepingel. Maar kabouters zijn altijd vrolijk, en dat is zeker te merken aan de melodie. Oordeel zelf. Sun My Sweet Sun – Red Axes

’s Nachts is het bos angstaanjagend, maar zodra de zon opkomt ziet het bos er anders uit. Langzaamaan schijnen er zonnestralen door de bomen en begint de temperatuur te stijgen. Ouders maken met hun kinderen een zondagochtendwandeling. De kinderen beginnen vrolijk door het bos te rennen, met de ouders erachteraan. Luister maar in Madness van Weval.

Als er iets is wat het bos schenkt, dan is het wel rust. Het bos dat zo zichzelf is, een mens die zich er een weg doorheen baant en de geur van dennennaalden geven net als het nummer Mirror Lake van Angus MacRae, rust en energie.

Totdat de wolken langzaam de zon verdringen en iedereen zich haast om weg te komen uit het bos. Het rustige getik op de achtergrond, in het nummer Together van The XX, is de langzaam opkomende regen die af en toe weer gaat liggen. Maar de donkere wolken blijven, de storm bouwt zich rustig op en na drie en een halve minuut is de storm in volle gang. Niemands wil daar nog tussen de bomen staan.

De sfeer in het bos is erg afhankelijk van het weer. Het bos wordt ontzettend vrolijk en kleurrijk van zonlicht. In de zomer hangen felgroene bladeren aan de bomen, in de herfst is de grond bedekt met roodgekleurde bladeren. Alles geeft aan te leven of te hebben geleefd en ervoor te gaan. Net als het nummer Sunstring van Max Liese.

Tekst en muziekkeuze: Marije de Boer

Koken volgens KISS

Vanaf deze maand start POM Magazine met de nieuw serie Het Gerecht. In deze reeks vertelt een restauranteigenaar over zijn of haar favoriete gerecht. Soms is dat een gerecht op de kaart dat verbonden is met het ontstaan van het restaurant, soms is het een gerecht met een sterke jeugdherinnering en soms is het een gerecht dat de filosofie van het restaurant in één hap samenvat. In de primeur van deze serie sprak Anne van der Heiden met Remco Bras Verschoor, eigenaar van de vegetarisch/biologische lunchroom Baklust in Den Haag. In een interview met Anne vertelt Remco over een bijzondere risotto en legt hij uit wat rockmuziek met zijn gerecht te maken heeft.

Allereerst: wat is Baklust?
Baklust is… rebels. Het is geen franchise van een grote keten, niet alle tafels zijn hetzelfde, het is niet strak. Juist die imperfecties dragen bij aan het huiskamergevoel, net als de manier waarop we met onze klanten omgaan. De kaart is klein maar doordacht: vrijwel alles is in een handomdraai aan te passen voor veganisten of mensen die glutenvrij eten. Ik heb veel in het buitenland gewerkt en kan zo kwaad worden van die Nederlandse houding ten opzichte van horeca. In Frankrijk is ‘garçon’ een respectabele baan, hier is het meer een bijbaantje waarvoor je alleen maar een cursusje melk opschuimen hoeft te volgen. Horeca is een echt vak en dat zie je bij ons terug. Geen anonimiteit en onverschilligheid: onze klanten praten met elkaar, ook als ze elkaar niet kennen.

Waarom vegetarisch?
Baklust was al vegetarisch, ik ook. Daarom wilde ik het juist overnemen. Ik ben echt geen evangelist die iedereen wil bekeren, vleeseters zijn hier van harte welkom, maar ik wil hen wel wat leren. Al moet ik 10 keer per dag uitleggen wat seitan is! Ik wil mensen verrassen met de rijkdom van de vegetarische keuken. Niet op de vleesbakkers manier met salade geitenkaas en broodje mozzarella. We hebben wel geitenkaas en mozzarella in het menu verwerkt, omdat die ingrediënten herkenbaar zijn voor de vleeseters en instap-vegetariërs die hier ook komen. Die kiezen vaak eerst veilig. Maar als dat bevalt…. durven ze de keer daarna misschien wel onbekender terrein aan.
En dan heb ik het niet over dat trendy visuele gedoe met schuimpje van dit en cappuccino van dat op je bord: leuk hoor, maar het gaat toch om de smaak! Meer dan 3 smaken per gerecht is trouwens zinloos, die proef je toch niet. Ik kook volgens mijn favoriete band aller tijden, KISS. Oftewel: Keep It Simple Stupid.

Wat is jouw ultieme gerecht en waarom?
De quinoa salade. Allereerst omdat het helemaal volgens mijn KISS principe is, zoet, zuur en zout zijn perfect in balans. Het heeft alles wat een salade moet hebben. En het gerecht is echt gegroeid, het heeft een verhaal.
Ik kijk veel BBC: voor het programma ‘Kew on a Plate’ heeft chef Raymond Blanc een heel jaar lang een moestuin gehad in Kew gardens. Met de oogst uit de tuin heeft hij volgens het seizoen gekookt. Het bijbehorende kookboek is mijn absolute favoriet. Eén van de gerechten daarin is een risotto met gerst en worteltjes. Geweldig lekker, maar niet praktisch voor bij ons in de lunchroom: het duurt veel te lang om te maken. Maar ik wilde het zo graag op de kaart, dat ik ermee ben gaan spelen. Allereerst heb ik in plaats van de gerst, quinoa gebruikt. Saillant detail is dat ik eigenlijk niet van quinoa hield, ik vond het een beetje zeepachtig. Maar door de quinoa in het kookvocht van de wortels te koken, krijgt de quinoa een heerlijk zoetje. De dressing voor de Caesar salade die al op kaart stond bleek hier perfect bij te passen. Tot slot kwamen de polenta croutons er nog bij voor de zout-ervaring. Daar ben ik de hier zo populaire Israëlische chef Ottolenghi dankbaar voor, dat hij eindelijk Nederland aan de polenta heeft gekregen. Supervoedsel wat mij betreft: simpel, lekker en verrassend.
Het eindresultaat staat niet voor niets bij het rijtje salades op ons menu. Onderaan, want de laatste onthoud je het beste en iedereen moet hem gewoon proberen. Met brood en boter erbij hè, zoals het hoort bij een maaltijdsalade. Salade zonder brood is zo Hollands.

Interview en tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer

Wasted cowboy

“Waar ik aan denk bij het woord Urban Cowboy? Ehm, ik denk vooral aan misplaatste cowboys die een beetje verward om zich heen kijken en zich afvragen hoe ze vanuit het Wilde Westen ineens in een vinexwijk terecht zijn gekomen………en ik moet denken aan van die oudere mannen met cowboyhoeden en sjekkies in de mondhoek, in de categorie vieze oom maar ook in de categorie neo-hippie; van die cowboyhoeden die op alles, van metalfestivals tot comic-cons en cosplayfeesten, rondlopen. Zou ik de term al moeten kennen?” (Inge Aanstoot)

Illustratie: Grafische Kamer

Vlucht Arizona

“Vindt u dat zelf nu ook niet erg provocerend?” Ik schrik op uit mijn geduldig-wachten-stand en kijk de medewerkster van de security controle op Schiphol enigszins verward aan. Onverstoorbaar knikt ze naar m’n borst. Het duurt twee lange seconden voordat ik doorheb wat ze bedoelt. Haar opmerking blijkt zo absurd, dat ik mijn begrip voor de gedachtegang van een ander persoon weer eens overtroffen heb. Ze heeft problemen met mijn halsketting waar een klein pistooltje als bedel aanhangt. “Er zit ook een bloemetje aan”. Ik probeer de boel nog luchtig te houden. Haar houding wordt er niet losser van. Mijn geliefde pistooltje om m’n nek heeft niets met geweld te maken. Het is mijn kleine persoonlijke ode aan de cowboy en diens onvermijdelijke accessoire.

Mijn liefde voor de cowboy begon al heel vroeg. In mijn kindertijd waren er twee populaire western series op tv. Bonanza en Rawhide. Je moest een favoriet hebben. Bonanza vond ik een beetje voor sukkels. Ik hoorde bij de Rawhide fans. Ondanks mijn jonge leeftijd zag ik het al, daar zaten de stoerste en knapste mannen bij. Zij bleven niet thuis bij hun liefhebbende vader op de eigen ranch, maar maakten met hun koeien een enorme reis door het ruige landschap van Amerika. Onder hen ook debutant, Clint Eastwood. Met de films ‘For a few dollars more’, ‘A fistfull of dollars’ en natuurlijk ‘The good, the bad and the ugly’, zou hij uitgroeien tot de personificatie van De Cowboy. Na deze tv-series kwam ik op een leeftijd, dat ik zelfstandig naar de bioscoop mocht. Geen western heb ik niet gezien.

Fascinerend is, dat het in de cowboy films uit de hoogtijdagen in de eind 60-er en begin 70-er jaren, steeds minder om de daadwerkelijke koeiendrijver ging. De cowboy als hardwerkende man sprak wat minder tot de verbeelding dan de outlaw die hij zou worden. Hij veranderde van een beschermer van de kudde in een rondtrekkende premiejager. Of in het beste geval een met geweld gepaard gaande probleemoplosser; de moderne Robin Hood. Hij werd ruiger, maar zeker niet minder populair. Ondanks de vaak criminele manier van leven wist hij zich toch geliefd te maken. Hij schoot dan wel regelmatig mensen neer, maar dan toch vooral heel slechte mensen. En als hij bij het overvallen van een bank uit pure noodzaak de onschuldige bankbediende had moeten neerhalen, dan zorgde hij er anoniem wel voor dat het de achtergebleven weduwe met haar kinderen aan niets zou ontbreken. Niet helemaal goed, maar zeker ook niet helemaal slecht. Daarbij was hij intelligent, had weinig woorden, maar des te meer daadkracht en was hij vooral fysiek woest aantrekkelijk. Elke man wilde hem zijn en elke vrouw bij hem.

Met de komst van de meer maatschappij kritische western ontstond een loyaliteitsprobleem. De geschiedenis van de Indianen kreeg een realistische, trieste rol binnen de western. Een vredelievender, meer met de natuur in harmonie levend volk is niet denkbaar. Sommige westerns gaven nog de ruimte om te kiezen voor wie je was, ook de Indianen konden de bad guys zijn. Maar na het zien van Soldier Blue (1970) was dat voorgoed voorbij. Deze film verhaalt over de slag bij Sand Creek, waarbij een ongewapende Cheyenne nederzetting bijna volledig werd uitgeroeid door het Amerikaanse leger. Om zijn vreedzame bedoelingen te laten zien begroette Wolf, de chief van deze groep, het aanstormende leger met een Amerikaanse vlag in de hand. Het leger beantwoordt dit met eerst het uitmoorden van alle ongewapende mannen, om daarna de vrouwen te verkrachten en die vervolgens samen met de kinderen alsnog om te brengen. De film laat geen ruimte voor romantiek. Het bloed spat van het scherm. En daar zit je dan met je adoratie voor de cowboy.

De western verdween naar de achtergrond om daar minimaal twee decennia te blijven. Genoeg om een klein beetje op adem te komen. Gedurende die jaren was ik er niet dagelijks mee bezig, maar soms trok er een nostalgische zweem door m’n gedachten: “waar is de western, …zijn de cowboys gebleven?” Ze bleken niet voorgoed weg, hielden zich schuil voor weer betere tijden. Inmiddels is de western terug en veel is hetzelfde gebleven. Gelukkig maar, mythes moeten niet al te veel verstoord worden. Maar er zijn ook elementen toegevoegd. De cowboy is niet altijd meer de stoere en zwijgzame adonis en de vrouwen zijn niet meer uitsluitend mooie en begripvolle prostituees. Wonderschoon worden die nieuwe aspecten verenigd in de western True Grit (2010) van de gebroeders Coen. De hoofdpersonages zijn geen knappe revolverhelden maar een verlopen, norse sheriff en een 14-jarig intelligent, vastberaden meisje. En dat gecombineerd met scherpe dialogen. Top!
En zo zijn er meer films waarin de cowboy menselijker, minder een karikatuur is geworden. Een mooie ontwikkeling, maar het verlangen naar die sexy in de verte turende, zelfverzekerde loner zal er altijd blijven.

Ik ben door de security en loop na reprimande, maar met pistool richting incheckbalie. Vlucht UA 1948 zal me brengen naar Arizona. En daar, in het Wilde Westen van mijn verlangen doolt hij, de cowboy, nog rond. Al is het er maar één, ik ga hem vinden.

Tekst: Lydia Verhoef

Bezield of niet?

Wij leven in een wereld waarin we meer en meer versmelten met de dingen om ons heen. En daarom wordt de vraag naar methodes om de ziel van objecten te bepalen, steeds groter. Waarom? Misschien om onze onafhankelijkheid te bewaken als mens, of misschien om empathie te tonen voor de spullen die we ontwerpen, produceren en gebruiken. Ontwerper en onderzoeker Judith Dörrenbächer beschrijft in haar boek, “Beseelte Dinge-Design aus Perspektive der Animismus”, een zoektocht naar manieren om de ziel van een object te definiëren, zodat we de grensvervaging tussen mens en ding beter kunnen herkennen. Bert van der Zee sprak met Judith Dörrenbächer over de rol die is weggelegd voor ontwerpers als het gaat om grensbewaking.

Vanwaar die interesse voor techno-animisme?
Vandaag de dag nemen objecten veel beslissingen voor ons. Ze zijn verbonden met andere objecten, ze leren, ze voelen – ze hebben eigenschappen die voorheen alleen mensen hadden. Aan de andere kant verliezen objecten weerstand doordat tastbare grenzen simpelweg oplossen. Het is niet meer zo duidelijk waar een object begint en onze barrière eindigt of andersom. Objecten passen zich aan ons gedrag aan, ze leren om aan onze wensen of aan de wensen van de bedrijven die ze ontwerpen, te voldoen. Bovendien beïnvloeden ze ons gedrag zonder dat we het doorhebben. Daar komt nog eens bij dat deze objecten onderling nauw verbonden zijn. Ze zijn onderdeel van iets groters, een soort ‘internet van dingen’. Ze vormen als het ware een nieuw ecosysteem. Iets leeft in die objecten, iets dat ze quasi-levend maakt.

Wat heeft animisme hiermee te maken?
We vinden in deze technologische ontwikkeling kenmerken terug waarvan wij, moderne mensen, altijd dachten dat alleen inheemse volkeren dat doen, zoals het praten tegen dingen. Maar tegenwoordig praat iedereen tegen dingen en zwaait iedereen naar dingen om een interactie met ze aan te gaan. Dit is gedrag waarvan moderne mensen zich ooit distantieerden door te zeggen: wij zijn rationeel, wij zijn volwassen, we geloven niet dat dingen een ziel hebben. Dus aan de ene kant vinden we onszelf heel modern, een high-tech maatschappij. Aan de andere kant gedragen we ons pre-modern. Dat contrast boeit me. De toekomst en het verleden versmelten. Tegelijkertijd besef ik dat het best wel lastig is voor mensen om eigenwaarde te ontwikkelen, omdat de grens tussen mens en technologie vervaagt. Wat ooit een tastbare tegenhanger was, is nu een ongrijpbaar object. Dit fenomeen doet me denken aan iets dat in animisme theorieën, ‘magisch denken’ genoemd wordt. Animisme, magie en betovering zijn met elkaar verweven.

Kunt u een voorbeeld geven van magisch denken?
Daarvoor verwijs ik graag naar de psycholoog Jean Piaget. In zijn beschrijving van de vroege ontwikkeling van het kind, stelt hij dat jonge kinderen niet in staat zijn om een onderscheid te maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Wanneer kinderen hun ogen dicht doen denken ze dat de wereld verdwijnt. Of ze denken dat de maan hun volgt wanneer ze rondlopen. Jonge kinderen denken dat hun eigen gedachten en hun gedrag de buitenwereld beïnvloeden. Ze zijn zich in beperkte mate bewust van de scheidslijn tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Jean Piaget noemde dit ‘magisch denken’. Hedendaagse technologie bekrachtigt dit verschijnsel op een nieuwe manier. Met slimme contactlenzen kun je in de toekomst de buitenwereld besturen door bijvoorbeeld een paar keer te knipperen met je ogen. En wanneer dit soort brein-computer interactie alledaagser wordt, zullen je boodschappen misschien wel aan huis afgeleverd worden, alleen maar door eraan te denken. Dit soort technologie werkt magisch denken in de hand. Maar hoe bewaken we onze eigenwaarde in een omgeving waarin technologie zich moeiteloos aan onze wensen aanpast? Misschien hebben we een nieuwe vorm van verzet nodig, weerstand. We moeten gaan nadenken over methodes waarmee we de grenzen tussen onszelf en de buitenwereld, tussen onszelf en de technologie die ons omgeeft, kunnen bewaken.

Grensbewaking met behulp van weerstand?
Ja, weerstand ontstaat bijvoorbeeld in een systeem dat opzettelijk met fouten ontworpen is. Wanneer gebruikelijke processen verstoord worden, zal een object zich meer als een tegenhanger uiten. Hetzelfde geldt voor een transparanter systeem dat laat zien wat er daadwerkelijk gebeurt tussen de gebruiker en het systeem. Transparantie laat zien dat de interactie niet magisch is. Vooropgezette fouten en transparantie vormen een weerstand die afstand creëert tussen gebruiker en technologie. Deze afstand is kennelijk nodig om kritisch en zelfbewust te blijven.

Dus weerstand kan integraal in een product ontworpen worden?
Weerstand kun je ook ervaren in experimenten met fysieke interactie tussen mens en object. Dit soort experimenten richt zich bijvoorbeeld op het imiteren van een object om er bewust empathie voor te krijgen. Hierdoor identificeer je een object als iets dat los staat van jou, want je kunt alleen empathie hebben voor iets dat anders is dan jijzelf. Het zou mooi zijn om deze bevindingen te verleggen naar de technologische wereld. Misschien helpt het ons om meer empathie te voelen voor de technologie om ons heen, en helpt het ons tegelijkertijd om gepaste afstand te bewaren.

Wat rest ons? Hoe ziet u dit voor u?
Wel, we hebben te doen met twee perspectieven: het technologisch optimistische en het technologisch pessimistische perspectief. Het pessimistische perspectief zegt: ‘we raken onze controle kwijt omdat objecten de macht krijgen over ons, we zijn geen subjecten meer, maar de objecten worden subjecten, help! De wereld op zijn kop, nu zijn wij passieve objecten!’ Het optimistische vertrekpunt gaat er vanuit dat technologie ons helpt om betere mensen te worden doordat we iets aan onszelf toevoegen. Ik ben niet geïnteresseerd in één van beide perspectieven [sic]. Ik vind dat we grenzen nodig hebben tussen mens en technologie om zelfbewustzijn in stand te houden. Maar in plaats van vasthouden aan het oude onderscheid tussen autonoom subject en het passieve object, denk ik dat we moeten onderhandelen over deze grenzen, zodat er nieuwe scheidslijnen ontstaan. Ik ben erg geïnteresseerd in experimentele en artistieke methoden die je helpen te onderhandelen tussen jezelf en het andere. Hierdoor blijf je bewust van jezelf en je eigenwaarde.

Waarom is het belangrijk dat mensen zich definiëren ten opzichte van objecten?
Het is belangrijk om autonoom te blijven denken en je terug te kunnen trekken uit je omgeving. Je kunt je alleen verantwoordelijk voelen wanneer je duidelijk voelt wie je bent en voelt dat je de mogelijkheid hebt om dingen te beïnvloeden. Dat maakt ons anders dan onze technologie. Wij maken ethische beslissingen, onze smartphone niet. Ik vind het interessant om te zien hoe we onze eigenwaarde en ons menselijke bewustzijn kunnen behouden, terwijl alles om ons heen zo quasi-menselijk is. Hoe bewaken we onze scheidslijnen? Hoe ontwerpen we nieuwe grenzen? We moeten toewerken naar een nieuw begrip van het mens-zijn, en naar een nieuw begrip van het object, want beide zijn aan het veranderen.

Tekst en interview: Bert van der Zee

Wetenschapper der technologische bezieling

Dat een designer nadenkt over de vorm en functie van een ontwerp, daar kijkt niemand van op. Dat een filosoof de tijd doodt met nadenken over de ziel, verrast ook niemand. Maar een designer die de bezieling van objecten onderzoekt, dat is toch wel bijzonder. De Duitse ontwerper en wetenschapper Judith Dörrenbächer ging de uitdaging aan. Zij onderzoekt of objecten, dingen en technische systemen een ziel hebben.

“Van origine ben ik ontwerper”, vertelt ze POM Magazine. “Ik heb de meest uiteenlopende dingen gedaan, van grafisch ontwerp tot het vormgeven van tentoonstellingen. Ik heb gestudeerd aan de Köln International School of Design, waar ze het belangrijk vinden dat theorie en praktijk nauw verweven zijn. Tijdens mijn studie raakte ik gefascineerd door de theoretische aspecten van design. Ik besloot me bezig te houden met esthetische technieken waarmee je de realiteit kunt ontleden en samenstellen. Op dit moment ben ik druk bezig te promoveren op het onderwerp ‘technologische bezieling’.”

In 2015 organiseerde Dörrenbächer voor de Hochschule Niederrhein een conferentie in Krefeld, met als onderwerp: de bezieling der dingen. De resultaten en conclusies van deze conferentie publiceerde Dörrenbächer in het boek ‘Beseelte Dinge’. Momenteel werkt Dörrenbächer aan de Universiteit Siegen waar zij onderzoek doet naar de interactie tussen hersens en computer, voor een gehoorapparaat dat bestuurd kan worden door hersengolven. “Door de innovatieve technologie die gebruikt wordt in het gehoorapparaat ontstaat een nieuwe kijk op de relatie tussen passief object en actief subject. Dit past perfect in, wat binnen sommige animistisch theorieën, ‘magisch denken’ wordt genoemd”, legt ze uit. In het artikel Bezield of niet? praat Judith Dörrenbächer met POM Magazine’s Bert van der Zee, en vertelt zij over technologische bezieling, magisch denken en het vervagen van de grens tussen mens en object.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Maxi Uellendahl

Fietsseizoen-de aftrap

Vandaag was er eindelijk zon. Ook was het niet langer zo koud dat mijn vingers en kuiten bevroren bij alleen al de gedachte om naar buiten te gaan. Nog belangrijker: het waaide niet meer zo hard dat ik kans liep om met lichtgewicht fiets en al te worden opgetild en voor auto’s neer te worden gesmakt. Ik weet het, de echte bikkels en de profs zijn al veel eerder begonnen. En nu ging mijn bloed ook kriebelen. Heel erg zelfs. Het is FIETSSEIZOEN!

Een goede voorbereiding is het halve werk. Fietskleren genoeg, al mag Joost weten waar ik de mouwen van mijn fietsjackie heb gelaten. Dat kon wachten. Het werd tijd om de fiets letterlijk van stal te halen en in de binnentuin in het zonnetje te zetten. Banden prima. Maar – foei! – ik ontdekte nog herfstmodder op het frame. Ik poetste het liefdevol schoon, en voorzag de ketting van wat fijne biologisch afbreekbare olie. Daarna was het time to get really dirty: mijn remblokken waren nodig aan vervanging toe. Ik ging de berging in om het al eerder aangeschafte verse stel blokjes en mijn gereedschap te pakken en vond bij terugkomst drie mannen die over mijn fiets stonden gebogen.

Stel je bent een man. De zon schijnt en je ziet een vrouw in T-shirt, kort spijkerrokje op hippe laarzen een racefiets poetsen. Toegegeven, dan zou ik ook barsten van nieuwsgierigheid en een pauze nemen. En mijn fiets mag er best wezen. Ik keek als een trotse moeder toe hoe zij – zich volkomen onbewust van mijn terugkeer – wat technische termen over en weer slingerden. Wielertaal beheers ik inmiddels aardig, maar de precieze benamingen van alle onderdelen ken ik niet. Ik weet dat mijn fiets een Giant is en het leeuwendeel van wat eraan hangt Shimano, en dat laatste heb ik alleen maar onthouden dankzij de documentaire ‘Nieuwe helden’ over de Argos-Shimano ploeg. Maar persoonlijke helden heb ik niet. Alhoewel… Dumoulin komt er dichtbij. Al is het alleen maar omdat hij de verslaggever die hardnekkig naar een negatief verhaaltje bleef hengelen het nakijken gaf toen hij voor de zoveelste keer pech had bij de Amstel Gold Race, om vervolgens doodleuk de eerste dagen van de Giro – in Nederland!! – in de roze trui te gaan rondcrossen.

Terug naar mijn Giant-Shimano. De mannen bij mijn fiets moest ik op een gegeven moment wel storen in hun onderonsje. Mijn huismeester met twee rechterhanden keek van mij naar de tot het bot versleten remblokjes en zei: “Heb je wel…” “Inbussleutels?” vroeg ik, “Tuurlijk.” Verbaasd keek hij toe hoe ik mijn reparatiesetje openritste, de juiste sleutel koos en monter de blokjes los begon te schroeven. Hij hield mijn fiets volkomen nodeloos rechtop; ik slikte de opmerking in dat mijn standaard nog wel prima functioneerde maar in. Toen mijn handen en lange nagels zwart werden van het smeer kon hij het niet langer aanzien. “Heb je dit wel eerder gedaan dan?” “Nee… gewoon een kwestie van uitproberen.” Hij schudde zijn hoofd. “Geef hier dan. Doe ik het ff.” Ik bleef koppig zoeken naar de juiste combi van piefjes om de blokjes op de juiste afstand van de band te krijgen. “Als ik middenin de polder zit moet ik het ook zelf doen.” De andere twee heren waren hun schroom verloren nu ik één van hen bleek te kennen. Drie man sterk coacheden ze me door het eerste blokkie heen. “Beetje omhoog!” en “Vast is vast, hè!” behulpzaam in de remmen knijpend en aan het wiel draaiend om te kijken of ie aanliep. De drie blokjes daarna gingen 10 keer zo snel. Eéntje zei wijselijk: “En nu even testen hè. Als het niet goed is, kan je het hier nog stellen, zo, dit losdraaien en dan aantrekken”. Joh. Dat wiel had ik nou toevallig wel al uitgevonden. Een ander ging in zijn dadendrang maar een bijdrage leveren in de vorm van koffie halen, die ik – uiteraard – wel dankbaar accepteerde.

Tijd voor dat testrondje. Nou gaan kort spijkerrokje en wielerhouding niet samen, maar ze keken zo serieus en hoopvol dat ik mijn trots maar inslikte. Ik vroeg wel mijn huismeester de telefoon uit mijn kontzak te vissen omdat die anders onherroepelijk bij de eerste bilbeweging op de keien zou kletsen en klom met smerige handen en al op mijn fietsje. Hierna ging ik de handvaten toch vervangen. Tijdens mijn rondje bleven ze me coachen: “Even doortrappen, beetje snelheid maken! Langzaam inknijpen die remmen!” Toen ik afstapte zei mijn huismeester: “Jij bent geen echt meisje hè.” Hij is een Scheveninger, die hebben wat aparte humor dus ik was niet zeker of het positief was. Ik keek hem eens aan, maar het leek in de verste verte niet op de belediging die ik ooit eens van een vriendin naar mijn hoofd kreeg geslingerd toen we samen op vakantie waren en ik zee alleen maar associeerde met als een gek kajakken terwijl zij de godganse dag wentelteefje lag te spelen: “Weet je zeker dat je wel een meisje bent?!” Nee, geen echt meisje uit de mond van mijn huismeester was bedoeld als licht bewonderende constatering. Volgende stap is een stoer wijf, maar dat heb ik nog niet bewezen. Ik denk dat ik daarvoor eerste de Hollandse bocht zal moeten ronden of de hel van het Noorden zal moeten trotseren. Maar vooralsnog is ‘geen echt meisje’ mijn geuzennaam. Laat dat wielerseizoen maar komen.

AAG
AAG

Virtual Reality, de hype voorbij

Tot voor kort was ik als filmmaker nog niet echt geïnteresseerd in ‘Virtual Reality’ (VR). Ik vond het een hype en de zoveelste gimmick die toch wel weer zou overwaaien. Maar hoe meer ik erover las en er ook zelf daadwerkelijk mee aan de slag ging, des te meer veranderde ik van mening. Ik vind het een fascinerende nieuwe kijkervaring waar je als kijker volledig wordt ondergedompeld in een andere tijd en ruimte.

Maar wat is Virtual Reality eigenlijk? Virtual Reality komt tot ons, via een soort headset met een beeldscherm. Je zet de headset op die verbonden is met een laptop en start een video of applicatie. Al kijkend naar het beeldscherm heb je het gevoel alsof je daadwerkelijk in de wereld van jouw video of applicatie aanwezig bent. Waar passieve media niet altijd in slagen, ga je als kijker in VR helemaal op. Je bent onderdeel van de scene en leeft in de gegeven tijd, plaats en dus in het verhaal. Er staat geen camera tussen jou en de situatie want in VR ben jij de camera, het is jouw perspectief. VR makers kunnen bepalen welke rol jij in het verhaal aanneemt maar in VR gaan de verhalen over jou, de kijker. De impact en betrokkenheid is daarom meeslepend.

De potentie van de VR film om de kijker te verrijken met nieuwe inzichten is vele malen groter vergeleken met andere media. Door de werkelijkheidservaring, oftewel empathie, wordt de connectie tussen de kijker en het verhaal zeer versterkt. Je kunt zo in de meest confronterende situaties terechtkomen. Zo kan de beleving versterkt worden door een virtuele oriëntatie van je lichaam. Een prikkelend voorbeeld van deze toepassing is bijvoorbeeld porno. In de journalistiek kan VR een betere weergave van de waarheid geven dan traditionele film- of fotojournalistiek dankzij een 360 graden weergave. Er zijn ondenkbaar veel terreinen waar de toepassing van VR voordelen zou kunnen opleveren zoals bij het verwerken van trauma’s, het trainen van astronauten en de verkoop van huizen. Ook voor onderzoeksdoeleinden is VR geschikt. Psychologen gebruiken VR om raciale vooroordelen te testen bij mensen met een blanke huidskleur door ze in een virtuele wereld een donkere huidskleur te geven. En afgelopen januari werd op de Vakantiebeurs in Utrecht VR gebruikt om de bezoekers te laten ervaren hoe het is om te paragliden.

Als filmmaker ben ik ondertussen behoorlijk enthousiast geworden over VR. Ik ben vooral benieuwd naar wat VR ons de komende tijd zal brengen. Het ziet er naar uit dat Virtual Reality definitief zijn intreden heeft gedaan. In 2016 zullen er waarschijnlijk meer toepassingen bijkomen en ik verwacht dat het commercieel gebruik zal toenemen. Als filmmaker ben ik in ieder geval erg blij dat in Amsterdam op de Oosterdokskade al de eerste VR bioscoop is gevestigd.

Tekst: Jasmijn Schrofer

Lumière Maastricht

Het is de ster onder de filmhuizen: Lumière Maastricht. Gevestigd in de voormalige elektriciteitscentrale van de Sphinxfabrieken, aan de binnenhaven bij de Maastrichtse Bassinkade. Na een verbouwing van bijna twee jaar is de oude stroomfabriek veranderd in een complex met zes bioscoopzalen en een grand Restaurant Café.

Ondanks de ruime, functionele opzet weet Lumière de intieme sfeer van een filmhuis te behouden. Veel oorspronkelijke materialen zijn verwerkt in het gebouw en overal is het aardewerk aanwezig waar Sphinx zo bekend van is. Industriële functionaliteit en intimiteit vallen ook te bespeuren in het Restaurant Café. Het staat vol met moderne meubels in strakke bekleding van leer, wol en vilt, maar her en der hangen ook kristallen kroonluchters. Overal zie je metaal: het komt terug in lampen, stellages en in meubels. Moderniteit wordt vermengd met lokale symboliek: hoog in de nok van het gebouw hangt een paar vleugels, een speelse verwijzing naar de engel in het wapen van Maastricht.

Fotografie:Philip Driessen