Spiritualiteit? Welnee!

Beeldend kunstenaar Wim Warrink definieert zijn werk vooral in termen van beeldende experimenten die een afdruk achter laten. In de breedste zin van het woord: lichtinstallaties, machines die brute kracht vertonen en een fijn gevormde kievitseihouder in de vorm van een kievit. Bert van der Zee reisde voor POM Magazine naar Winsum, enkele kilometers ten westen van de stad Groningen om deze beeldend kunstenaar te ontmoeten voor een gesprek over zijn werk. Bert en Wim gingen er eens goed voor zitten in de oude veehouderij van de anti-leegstandboerderij waar Wim en zijn vriendin wonen. Daar verzamelt Warrink (Assen, 1983) materialen, etaleert hij terloops affe of onaffe creaties en beschikt hij over alle ruimte om gereedschap te stallen dat robuust werk kan leveren. Of de tractor en de hooiwagen ook zijn eigendom zijn, is onduidelijk. Het lijkt in ieder geval op de droomwerkplek voor de doorgewinterde kunstenaar.

Je bent kunstenaar geworden. Hoe ben je daartoe gekomen?
Ik wist helemaal niet dat je kunstenaar kon worden, ik had daar helemaal geen besef van. Ik kom uit een dorpje vlakbij Emmen. Daar ging ik naar de LTS en ik koos elektrotechniek omdat daar werk in zou zijn. Ik heb 1 jaar gewerkt als elektromonteur, maar ging toch verder kijken en kwam uit in de creatieve hoek. Ik deed een opleiding productontwerp in Leeuwarden. Daarna werd ik toegelaten aan de Hogeschool voor de Kunst Utrecht, HKU. Voor die opleiding ging ik naar het SMAK in Gent, een museum voor hedendaagse kunst, en daar zag ik werk van kunstenaars van de beweging Arte Povera en van kunstenaar Bernd Lohaus. In zo’n zaal hingen blokken hout, gebundeld in een touw aan de muur, of er lagen stukken biels in die zaal. Toen ik dat zag voelde ik een soort liefde voor het materiaal. Ik was in één keer om en wist ik het zeker: ‘als dit mag dan kan ik het ook! Ik ga het in elk geval proberen!’

Je hebt uiteindelijk de kunstacademie gedaan in Groningen.
Klopt. Nadat ik gestopt was aan de HKU besloot ik zomaar een keer op bezoek te gaan voor een rondleiding bij de kunstacademie Minerva in Groningen. Architect Piet Blom ontwierp het gebouw van de academie met allemaal kleine hokjes en kleine gangetjes. Het was zo lekker chaotisch. Als ik door het gebouw liep, was het net alsof ik door mijn hoofd liep. Ik dacht: dit is precies de plek waar ik moet zijn. Deze academie staat hier helemaal voor mij. En dat voelde ik de hele tijd zo sterk, dat ik dacht: als ik straks afgestudeerd ben, dan wordt het gebouw gesloopt. Alsof dat zo moest zijn.

Je won in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs waaraan een geldsom verbonden was.
Zo’n prijs is een erkenning en een signaal dat je op de goede weg bent. Ik ben gewoon lekker bezig. De dingen die je maakt, dat is nog geen kunst, het is een soort rijpingsproces. Ik geef vorm aan dingen die in mijn hoofd zitten. Die breng ik in de wereld en op de plek waar ze het beste tot hun recht komen- dat is nu de kunst.

Wat heb je gedaan met het prijzengeld?
In het begin dacht ik: van het geld van de Academieprijs ga ik een werkplaats aanschaffen. Maar dat is niet gebeurd. Ik heb een half jaar lang rustiger aan gedaan om alle indrukken van mijn academietijd een plekje te geven. Op zo’n academie zit je in een soort snelkookpan, dat is vier jaar lang constant bezig zijn, de hele tijd nieuwe dingen bedenken. Absurd hoeveel informatie je binnen krijgt. Toen ik me realiseerde dat het me nog helemaal niet gelukt was om al die informatie te verwerken, heb ik besloten om een half jaar lang minder werk te maken. Dat heeft me echt geholpen. Als je maar door blijft gaan, dat houd je niet vol. Er wordt zoveel van je gevraagd, dat geld had ik niet beter kunnen besteden.

Vertel eens over je kunstwerken, wat zijn het voor objecten?
De machines die ik maak zijn zwaar en groot en daarom probeer ik ze wel demontabel te maken. Onder één van die verfmachines die ik heb gemaakt hangen twee blokken beton, elk 200 kilo. Maar die blokken staan weer los van de constructie. En uit die constructie steekt weer een slagarm, waar ik een andere arm tegen aan laat slaan. Ik ga er altijd van uit dat het door één deur moet kunnen. Dus het kan allemaal uit elkaar. Het grootste onderdeel, de kern, is ongeveer 2 meter hoog.

De kunst van het opzetten en uit elkaar halen. Je maakt ook lichtkunstwerk, werkt dat principe daar ook?
De uitdaging in de lichtobjecten die ik maak is anders. Ik probeer hierin elementen en materialen te combineren. Ik vind vormen, gewoon op de sloop, of als ik ergens ben. Op de sloop vind ik veel elementen die daar voor rot ijzer liggen en dan probeer ik die elementen te combineren met andere vormen, bijvoorbeeld met een jampotje. In één van die lichtobjecten heb ik een cilinder met een zuiger van de motor ingezet, en die zuiger heeft dan precies dezelfde maat als dat potje. En dat is natuurlijk op voorhand nooit zo bedacht, maar als dat dan precies op elkaar past, dan denk ik: ja dit is voorbestemd, dit moet zo bij elkaar zijn. En dan moet ik zorgen dat het bij elkaar blijft. Dan maak of zoek ik er iets anders bij, dat daar weer mooi bij past. Dan pas maak ik zelf een passend onderdeel zodat het allemaal ook echt bij elkaar blijft. En als die elementjes dan zo in elkaar passen dan zit er meteen een soort vanzelfsprekendheid in. In mijn werk benadruk ik vaak onbewust dat voorbestemde. Ik heb het niet altijd in de gaten.

Voorbestemd, dat klinkt spiritueel.
Misschien is spiritualiteit niet het goede woord. Ik heb wel het idee dat er terugkerende vormen zijn in het heelal. Die zijn er ook want we werken gewoon met een stuk of wat grondstoffen, daar is het hele heelal uit opgebouwd, dan zullen er misschien nog een paar zijn die wij nog niet kennen. Maar dat álles voorbestemd is? Waaruit kun je dat opmaken?
Volgens mij zit de wereld niet zo in elkaar. En dat is misschien wat ik zoek in dat project waar ik mee bezig ben, met die lichtobjecten. Daarmee geef ik aan dat sommige dingen heel mooi in elkaar passen en elkaar heel mooi aanvullen. Maar het is niet voorbestemd dat ze bij elkaar komen. Als het voorbestemd is, dan zou ik niet nodig zijn en gebeurt het gewoon. Voor mensen komt het altijd terug bij onszelf, zo redeneren wij, volgens mij. En in alles wat wij denken staan wijzelf centraal, als mens of mensheid. Dat is bij die lichtobjecten ook zo, wij mensen hebben dat potje en die cilinder gemaakt, die zijn los van elkaar ontstaan. Dat is niet voorbestemd.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jelle de Groot

De man achter de afdruk

Maak kennis met de man die zijn werk beschrijft als experimenten die een afdruk achter laten. Wim groeide op in Drenthe, in een dorpje vlakbij Emmen. “Een jeugd vol met jongensdingen”, zo vertelt hij. Met vrienden uit het dorp ging hij in zijn vrije tijd hutten bouwen, crossbanen aanleggen en oorlogje spelen in het bos. “Dat soort dingen deden we allemaal”, legt hij uit.

Zijn vrienden doen nu compleet andere dingen. De één is slager, de ander werkt in de bouw en weer een andere vriend is in hart en nieren, boer. Zijn vrienden begrijpen vaak niet wat hij aan het doen is, maar zij zorgen er wel voor dat hij projecten aan durft, omdat hij weet dat hij er niet alleen voor staat. “Als ik hun hulp nodig heb, helpen ze mij met advies, mentale steun of met fysieke arbeid”, vertelt hij. Ook in Groningen en Friesland heb ik fijne mensen om me heen die me het vertrouwen geven grote projecten aan te gaan.

Portretschraper, 2013

Na een opleiding elektrotechniek in Emmen ging Wim in 2006 verder met een opleiding industrieel productontwerp in Leeuwarden. Hij vond in 2011 uiteindelijk zijn plek bij de kunstacademie Minerva in Groningen waar hij in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs won. Een bezoek aan een tentoonstelling van het Gentse museum voor hedendaagse kunst, SMAK, was voor Wim een eyeopener. Daar zag hij in een statige museumzaal blokken hout hangen, gebundeld in een touw aan een muur, en zag hij overal stukken biels op de grond liggen. “Ik keek daarnaar en dacht, jeetje wat gaaf eigenlijk, is dit ook kunst?”, vertelt Wim, “en op het moment dat ik dát besefte, was ik om – ik wist niet dat zoiets mocht. Ik had tot dan toe nog een hele klassieke opvatting van kunst.”

En zo begon het allemaal. Enkele jaren later maakte Wim installaties waarin mechanische- en menselijk kracht samenkomen. In zijn werk, Blikkenleger (2014), worden grote verfblikken leeggeschoten. Een projectiel wordt daarbij op de achterkant van het verfblik afgevuurd waardoor de verf uit het blik schiet.

Blikkenleger, 2014

In het werk de portretschraper (2013) probeert Wim een metaalplaat met het profiel aanzicht van Galileo door een homp klei te duwen. Het portret, de verfafdrukken, de metaalplaat, de machineconstructie, de leeg geknalde verfblikken- het zijn allemaal onderdelen die zijn kunstobjecten tot een evenwichtig geheel maken. Voor zijn nieuwste project maakte Wim lichtobjecten waarbij de hoofdrol niet weggelegd is voor mechanische kracht, maar voor compositie en verbondenheid tussen de diverse onderdelen. Hoe deze lichtobjecten tot stand zijn gekomen kun je lezen in het artikel Spiritualiteit? Welnee!. Tot 31 maart zijn zeven lichtobjecten van Wim te zien in de expositie Technisch Licht, in het Groninger Forum aan de Oude Boteringestraat in Groningen.

Tekst: Wim Warrink
Fotografie: Mente Warrink (Portret), Joyce Ter Weele (Blikkenleger), Tijmen van Dijk (Portretschraper)

Tijd in geometrische vormen

“Filosofie gaat meer over het stellen van vragen dan over het vinden van antwoorden, dus ik hoop dat ik antwoorden heb!” Dat waren de eerste woorden van filosoof André Schütte, nadat Anne van der Heiden hem vroeg of zij hem met vragen over tijd mocht bestoken. Hij bleek echter meer dan genoeg te vertellen te hebben.

Laten we beginnen met de perceptie van het begrip tijd. Wat kan je daarover vertellen?
“In het algemeen kunnen we onderscheid maken tussen twee verschillende manieren om tijd te ervaren: cyclisch en lineair. Een cyclische perceptie gaat uit van de permanente herhaling van gebeurtenissen, zoals we bijvoorbeeld kunnen zien in de natuur: dag en nacht, het wisselen van seizoenen. Deze perceptie van tijd vinden we vooral terug in pre-modernistische en Aziatische culturen. De lineaire perceptie is met name dominant in de moderne Westerse cultuur: men beschouwt tijd als een pijl die begint in het verleden, zich momenteel in het heden bevindt en ergens in de toekomst eindigt. Sommige lineaire theorieën gaan ervan uit dat deze pijl een begin en/of een eind heeft, zoals bijvoorbeeld de big bang theorie, of eschatologie (het geloof in het eind der tijden, red.). Maar er zijn ook theorieën die menen dat tijd oneindig is en daarom geen absoluut begin of eind heeft.”

Laten we onszelf, allebei geboren en getogen in een Westerse Europese cultuur, even als voorbeeld nemen en er gemakshalve vanuit gaan dat de mensheid de lineaire perceptie van tijd aanhangt. Wat houdt die lineaire perceptie in?
“Een lineaire perceptie van tijd hebben, houdt in dat we meestal de mensheid als het onderwerp van tijd of historie beschouwen. Met andere woorden: wij hebben de mogelijkheid om de loop van gebeurtenissen te beïnvloeden. Bovendien beschouwen we tijd als een schaars goed.”

We hebben te weinig tijd, dus we moeten er het maximale uithalen. Carpe diem!
“Precies, en het beste ervan maken impliceert onder andere nieuwe ideeën bedenken en nieuwe dingen uitvinden. Al is het alleen maar omdat we er nooit zeker van kunnen zijn dat ons huidige leefklimaat daadwerkelijk de meest optimale omstandigheden biedt. Om die nieuwe dingen te kunnen scheppen en bedenken, moeten we kritisch kijken naar de maatschappij, instituties en onze manier van leven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat – in sommige gevallen – bekritiseren en creëren twee kanten van dezelfde medaille zijn. Dat het motto van de moderne wereld is: we moeten verbeteren omdat we zo weinig tijd hebben.”

Maar hoe zijn we op dit punt beland, bij deze perceptie van tijd?
“Laten we beginnen bij Comenius (theoloog, filosoof, pedagoog en politicus: 1592-1670, red.). Zijn antwoord op het lineaire gedeelte van het christendom, het geloof in het einde der tijden, was: “We kunnen niet wachten! We moeten de jeugd de principes leren van alles dat er maar mogelijk te weten en te kennen valt! NU! We moeten scholen bouwen, boeken uitgeven, zo snel mogelijk alles leren. De socioloog Hartmut Rosa (1965 – ) reageert heel anders, hij gaat er vanuit dat onze Westerse moderne maatschappij gekenmerkt wordt door sociale acceleratie: alles versnelt door kapitalistische en technologische vooruitgang. Hij beschrijft het proces van het krimpen van het heden: de periode waarin de op onze ervaring gebaseerde verwachtingen van de toekomst werkelijkheid worden, wordt steeds korter. Als je dit fenomeen combineert met de steeds snellere technologische vooruitgang en het toenemende leeftempo dat daarmee gepaard gaat, dan lijkt de tijd alleen maar nog sneller te gaan. Je moet voortdurend iets doen om kapitaal te verwerven. Onze relatie met anderen én de wereld waarin we leven, wordt er des te problematischer door.”

Comenius en Rosa hebben allebei een lineaire perceptie van tijd. Hoe kan het dat Comenius zich richt op een positief aspect, het leven verbeteren door te leren, terwijl Rosa een veel negatievere kijk op het leven heeft: technologie en de snelheid van de maatschappij zorgen voor problemen?
“Dit zijn inderdaad twee vrijwel identieke observaties van tijd met compleet andere uitkomsten. De historische context is hier cruciaal; het is nooit genoeg om alleen maar iemands tekst te lezen, je moet ook kennis hebben van de tijd waarin het geschreven is en de bijbehorende cultuur om het te kunnen begrijpen. Dus laten we zelf eens een stelling poneren: de tijd waarin we leven, bepaalt ons perspectief, hoe we tijd beleven. Heidegger (1889-1976), één van de grondleggers van het existentialisme, geloofde dat onze essentie niet in ons denkvermogen ligt, maar in het Dasein, het letterlijk in de wereld staan. De enige manier waarop we er niet meer kunnen zijn is door te sterven; dus om het maximale uit je leven te kunnen halen, moet je je eigen dood voor ogen houden.”

Het einde der tijden versus het eind van het leven?
“Ja, maar waar Comenius positief en zelfs vol vreugde tegenover het leven staat, gaat Heidegger’s Dasein juist over Angst. Kijk nu eens naar de tijd waarin ze leefden. Comenius had nog een archimedisch punt: hij was er zeker van dat de schepping goed was. Zijn drang om de wereld te hervormen had slechts één doel: het herstellen van de oorspronkelijk orde waarin God de wereld had gemaakt. Heidegger leefde in een samenleving die veel meer geseculariseerd was en hij had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt op het moment dat hij zijn ideeën over Dasein optekende. De angst van de soldaten, angst om de sterven, oorlog, depressie; zijn focus op de dood kan bijna geen toeval meer zijn.”

Laten we even naar het heden kijken. Eén van de populairste ‘levensfilosofieën’ van dit moment is mindfulness, het focussen op leven in het hier en nu. Hoe past dat in ons tijdsbeeld?
“Op dit moment gaat ons leven steeds sneller en sneller. Te snel, waardoor we verlangen naar een langzamer tempo, naar vertraging. We willen de tijd hebben om weer van het leven te genieten in plaats van ons permanent opgejaagd te voelen.”

Tijdens een retraite in een Benedictijns klooster maakte ik kennis met hun regel, die hen leert om te leven in het nu en alles met aandacht te doen. Klinkt mij erg bekend in de oren… Is Mindfulness wel zo nieuw?
“Het grootste deel van de meditatietechnieken die Mindfulness gebruikt komen uit een oudere circulaire cultuur, het Boeddhisme. En de Regula Benedicti, die de monniken Stabilitas leert, de kunst van volledig geconcentreerd te blijven bij alles wat ze doen, is inderdaad al geschreven in de 6e eeuw. Misschien zijn de elementen niet nieuw, maar de combinatie wel; die is uitgevonden om aan onze huidige behoeften te beantwoorden.”

Iets heel anders: synchroniciteit. Een relatief ‘jonge’ filosofische term (1930, Carl Jung) die ook met tijd te maken heeft. Hoe en waar moeten we dat plaatsen?
“We leven niet alleen in een tijd van sociale en technologische acceleratie, maar ook in een tijdperk van synchroniciteit. Aan de ene kant is dat paradoxaal, anderzijds is synchroniciteit een logisch gevolg van versnelling. Wij weten exact hoe laat het is, waar dan ook ter wereld. We weten dat anderen zich daarvan bewust zijn en dat die anderen ook weten dat wij dat weten. We leven daardoor als het ware synchroon. Nog niet eens zo heel lang geleden was een reis nog een hele onderneming en wisten we dat we daar pas later zouden zijn. Tegenwoordig bestaat ‘laat’ of ‘te laat’ niet meer. Nieuws synchroniseert de wereld: zodra we opstaan hebben we toegang tot alles wat er over de hele wereld is gebeurd terwijl wij sliepen. We leven in een tijd van globalisering, van versnelling; we verwachten dat dingen morgen al volledig veranderd kunnen zijn.”

We hebben net een aantal filosofische theorieën en ideeën uit zowel het heden als het verleden besproken. Heeft het überhaupt zin om filosofen uit het verleden te bestuderen met als doel daarvan te leren? Of moeten we het verleden het verleden laten, omdat we aan een soort collectief geheugenverlies lijden en we ideeën pas weer heruitvinden op het moment dat we ze nodig hebben?
“Ik denk dat het meer een combinatie van allebei is. Met het verstrijken van de tijd verandert onze cultuur, onze maatschappij, en een oude theorie is daar mogelijk niet meer geheel op van toepassing. Mogelijk moeten we onze perceptie bijstellen, de theorie opnieuw uitvinden, hervormen, maar zonder het verleden zijn wij niets. Het is een ontzettend modernistisch idee dat alles wat nieuw is per definitie goed is, en je kan nu eenmaal niets nieuws uitvinden zonder drastisch met het oude te breken. Dat kan heel goed zijn, zelfs bevrijdend werken. Maar het verleden kan ons ook helpen, ons dragen, zoals bijvoorbeeld mooie herinneringen of tradities kunnen bewerkstelligen. Dit zou kunnen impliceren dat we zouden moeten proberen om die acceleratie met een zekere vorm van vertraging te combineren. Er zijn al genoeg mensen die op die manier werken en daar kunnen wij van leren: Dj’s, hedendaagse ontwerpers en al die ‘groene’ mensen die proberen onze manier van leven duurzamer te maken. Al deze mensen zijn dol op recyclen, oude materialen gebruiken om iets nieuws te maken. Een prima voorbeeld van hoe je tegelijkertijd vooruit kan kijken en terugkijken als je het mij vraagt!”

Jij bent gespecialiseerd in de filosofische theorieën van Peter Sloterdijk. Heeft hij iets met het concept tijd?
“Sloterdijk heeft zeker interessante ideeën daarover. Hij heeft een boek geschreven met de titel “Je moet je leven veranderen” (“Du muβt dein Leben ändern”). Daarin stelt hij dat de mens het enige wezen is dat oefent. Alles wat we doen is in feite een herhaling, maar we kunnen deze herhaling een doel geven; we geven er richting aan, maken een plan en streven naar perfectie. Als we vanuit dat perspectief naar de tijd die het ons kost om iets te leren kijken, dan zien we een combinatie van een circulaire en een lineaire beweging: herhaling, maar met een einddoel. Dan is de manier waarop wij ons als ‘lerende mens’ binnen de tijd bewegen meer een soort spiraal. Die spiraal heeft echter een eind: perfectie. En dit leerproces heeft weer verrassend veel gemeen met contemplatie, mindfull leven. Met als einddoel: een compleet mens te worden.”

Tekst: Anne van der Heiden
Illustratie: Veerle Vreeke, Grafische Kamer

Blue Moon

Stevie Peerenboom is met haar twee zussen eigenaar van restaurantketen Burgerz. Samen staan zij voor het succes van drie hamburgerrestaurants in Den Haag, Scheveningen en Delft. Stevie is de oudste van de zusjes en zij runt aan de Haagse Prinsestraat ook de oudste van de drie restaurants. Voor de rubriek Het Gerecht sprak Jasmijn Schrofer met Stevie over het verhaal achter haar lievelingsgerecht: The Blue Moon.

Het lijkt alsof er in de afgelopen jaren heel veel is gebeurd rondom klassieke gerechten zoals hamburgers. Hoe speel jij in op trends?
“Je ziet steeds meer nieuwe burgertentjes en restaurants die burgers op de kaart zetten. Het is een hip iets zal ik maar zeggen. Ik ga veel uit eten om te kijken wat er om mij heen gebeurd. We blijven bij ons eigen concept maar soms moeten we echt wel een stapje hoger gaan. Want wat de anderen doen, is soms heel erg gaaf.”

Maar zie je niet veel van hetzelfde bij andere tenten?
“Wat ik veel terug zie, is dat anderen meer insteken op het interieur en hoe ze de burgers in elkaar zetten met toppings. Wij zijn heel erg gericht op het vlees en waar ons vlees vandaan komt. We hebben ons eigen boerderijtje, ons vlees is 100% puur, er gaat geen rotzooi in. Ons vlees maakt de hamburger.”

Waar staat Burgerz voor?
“Burgerz is funky. En wij kijken meer naar het buitenland dan naar wat er hier in Nederland gebeurt. Mijn zusjes en ik gingen vroeger vaak op vakantie naar Amerika. Dan zagen we daar al die burgertentjes. En dan dachten we: wauw, hoe gaaf is dit, hoe gaan we dat naar Nederland brengen?”

Wat is het grootste complement wat Burgerz ooit heeft gekregen?
“Dat bij ons de burgers beter zijn dan in Amerika. Wij bakken onze burgers met veel passie, veel ziel en heel veel plezier. En dat proef je.”

Staat er een gerecht op jullie kaart waar jij persoonlijk het meest mee hebt?
“The Blue Moon burger is mijn favoriete burger. Ik heb hem zelf ontworpen. Ik ben sowieso gek op kazen maar blauwe kaas vind ik helemaal lekker. Ik hou van heftige smaken. Op de Blue Moon gaat spinazie, spek, rode ui, gekonfijte uiencompote en natuurlijk blauwe kaas. Blauwe kaas met burger leek eerst veel te heftig. Niet iedereen houdt ervan maar er komen toch veel mensen voor deze burger. Vóór de Blue Moon hadden we een andere op de kaart staan met gorgonzola: the Funky Cheese burger. Maar die vond ik eigenlijk te zacht. Toen is de gorgonzola vervangen door een nog pittiger blauwe kaas, de blue stilton.”

Wat is jullie succesvolste burger?
“Dat is The Mother Of All Burgers, één van de grootste burgers die op onze kaart staat. Het is onze signature burger, daar zijn we mee begonnen en daarvoor komt toch wel zo’n 80 % van onze gasten. We hebben hem ook in de dubbel variant, dan krijg je de Godfather. Op de Godfather zit sla, tomaat, augurk, rode ui, tomaten/basilicum salsa, een gebakken eitje, cheddar en spek. Als je de Godfather helemaal opkrijgt samen met je frietje, dan laten we een T-shirt printen met de opprint I did the Godfather. Want het is heel veel en ik vind het knap als je dat helemaal op kunt eten. Mij is het nooit gelukt.”

Het T-shirt is ook een beetje Amerikaans of niet?
“Ja, alles wat je hier ziet, het dinerconcept met van die booths, dat hebben we uit Amerika. En dat geldt ook voor de Godfather, the double-up, het T-shirt, de stickers met I love Burgerz en een online competitie: op de meest gekke plekken burger stickers plakken en online op onze facebook pagina zetten. Met de leukste foto kun je een etentje bij ons winnen.”

Voor altijd een hamburger of elke dag vegetarisch?
“Elke dag een hamburger. Ik hou van lekker vlees, maar ik moet zeggen dat ik weinig vlees eet hoor. Als ik thuis kook is het vaak vegetarisch. Ik heb niet zoveel vlees nodig. Maar als ik in een restaurant ga eten en ik weet dat ze daar mooi vlees hebben en ze komen met iets heel gaafs, dan ga ik daar geen nee tegen zeggen.”

Wat is moeilijker om goed te bereiden: een stuk vlees of een vegetarische maaltijd?
“Vlees bereiden is echt een kunst. Ons vlees is zo mooi, zo vers en zo puur. Wanneer een klant om well-done vraagt dan zeggen we ook altijd: prima, maar weet je het zeker? Alles wat vlees lekker maakt, haal je eruit met well-done.”

Misschien moet het geen well-done heten maar bad-done?
“Ja, ha, ha, bad-done. Dat zie je ook in Amerika: rear, medium, well-done en toffe zinnen als ‘well-done bad, not gone happen’. Soms hebben we klanten die denken dat ze binnen 10 minuten een burger op tafel krijgen. Dan denk ik: jeetje, je krijgt 175 gram, je wil hem well-done, dan ben je zo 20 minuten kwijt. Je zit in een restaurant, het is geen take away. Je krijgt een lekker wijntje en je kunt kiezen uit mooie bieren. We serveren burgers, maar we zijn een restaurant waar je komt om te genieten van een mooi stukje vlees.”

Wat is de gekste burger die ooit op de kaart heeft gestaan, of nog staat?
“We hebben een kaasfondue burger gehad. Gewoon vier verschillende kazen door elkaar laten smelten, zodat het helemaal over de burger druipt. Mega lekker. Die was zeer gewild, daar waren mensen gek op.”

Die staat niet meer op de kaart?
“Nee, vorig jaar november was het de maandspecial. Elke maand proberen we weer een nieuwe special. Maar ik denk dat we die wel weer op de kaart gaan zetten want mensen vragen daar nog steeds naar. Nu met Halloween hebben we een special met candy bacon, dat is spek uit de oven met basterdsuiker. Crispy, zoet en zout en dan met een spicy appel/pompoen salsa. Geloof me, we proberen elke gekke combinatie. Maar op één of andere manier werken ze allemaal.”

Interview: Jasmijn Schrofer
Foto: Jasmijn Schrofer

Murphy!

Als er één wet is die een eigen leven is gaan leiden, dan is het die van Murphy wel. Kan Murphy niets aan doen. Hij bekt gewoon lekker. Inmiddels wordt dit adagium toegepast op alles wat fout gaat op het meest ongunstige moment. En ja, daar maak ik me ook schuldig aan. Hij klopte gisteravond aan terwijl ik op de fiets zat, in het donker, met regen, op een bloedlink punt. Waar ik altijd al bang voor was, gebeurde: er kwam een fietser zonder licht van de spookrijdkant. Ik schrok me de tandjes, belandde in de tramrails door een onwillekeurige ruk aan het stuur en hoppekee, daar ging ik. Hand gekneusd, knie fiks gekneusd en knie ook open. Right. Toen wist ik nog niet dat Murphy 24 uur zou blijven plakken voordat ie er tabak van kreeg.

Vanochtend moest ik vanwege de blessures met de tram naar het werk. Door mijn gehink miste ik aansluiting op aansluiting op aansluiting. Vervolgens besloot mijn computer op het werk alle Microsoft software te gaan updaten. De meest irritante consequentie hiervan was wel dat de caupy peest functie het ineens niet meer deed. Terwijl ik uiteraard net kilo’s data te verwerken had. Dus in plaats van snel muizen, kon ik alles overtypen met één half lamme hand. Tegen 17.45 uur was ik zo bloedsacherijnig door de pijn en al het computer gedoe dat ik besloot mijn biezen te pakken. Tram, dus staan en ik belandde uiteraard precies aan de verkeerde kant van het station. Maar voor één keer leek een vertraagde trein in mijn voordeel te werken. Ik hobbelde het takkeneind naar spoor 14 met mijn zere poot… om daar vervolgens te horen te krijgen dat ie toch niet ging rijden, want er was geen hoofdconducteur. Dus het hele takkeneind weer terug gehobbeld naar spoor 2 door de krioelende spitsmassa heen waarvan minstens 80% denkt dat ze door je heen kunnen lopen, maar hallelujah, de trein verscheen. En ik bemachtigde een zitplaatsje. En hij vertrok op tijd.

Om ergens tussen Heemstede en Leiden ineens in de middle of the polder te gaan noodremmen! Letterlijk: er kegelden tassen en mensen door de coupé dat het een lieve lust was. Toen iedereen zich had hersteld van deze inbreuk op hun mobiele uurtje, vertelde de conducteur dat de trein dit helemaal zelf had gedaan. Bummer. Er was dus geen lolbroek aan de noodrem gaan hangen die wij konden vervloeken, maar de trein zelf dacht dat er een noodgeval was. Achter een zelfdenkend mormel zitten is één ding, erin is een stuk angstaanjagender. Om me heen werd al druk geappt, gebeld en gemessengerd met het wachtende thuisfront, alternatieve kidsophaal-, boodschappendoen- en kookschema’s geregeld, voordat de conducteur überhaupt een uitspraak had kunnen doen hoe lang het kon duren. Maar na een klein kwartiertje klonk er een angstaanjagend gesis en begon de trein langzaam op te trekken. Boodschap: de storing zat in het achterste treindeel, dus dat gedeelte gingen we lozen op het eerstvolgende station: Leiden. En waar zat ik in? Juist. Jippie. Nog meer hobbelen met een zere poot naar het treinstel dat wèl verderging, in het vooruitzicht. Op een overvol perron. Een dame naast mij zag mijn gezicht betrekken en begon een zowaar een meelevend gesprekje. Vlak voor Leiden stond ze op, wenste me succes want zij hoefde niet verder… om vervolgens maaiend met haar armen net overeind te kunnen blijven voor de volgende noodremactie van onze trein. Ze grijnsde. “Met de haven in zicht…”, riep ze, “stranden op een zandbank…”vulde ik aan. Hier en daar werd gegrinnikt. Nog geen 400 meter verder en we hadden wel langs het perron gestaan. Ze ging maar weer zitten. De conducteur meldde dat de trein dacht dat er deuren openstonden en daarom had geremd. Ze grijnsde nog eens. “Verdorie, ik had moeten wachten met opstaan tot we er echt waren”, zei ze. “Yup!” antwoordde ik, “dat was de Goden verzoeken. Want als Murphy langs komt neemt ie meestal zijn hele familie mee.” En ineens begon die hele vermoeide gestreste forensenspitscoupé hardop te lachen. En begon – nog veel opvallender – mee Murphy woordspelingen te maken. Live. Niet via een nieuw opgerichte groepsapp of #zelfnoodremmendetrein.

Op de één of andere manier slaagde de machinist erin het zelfdenkende mormel weer te overrulen en kropen we 10 minuten later Leiden binnen. Vol spanning bekeken we met de neus tegen het raam het naderende perron om uiteindelijk met gejuich te vieren dat onze Eagle geland was. We wensten elkaar wel thuis of succes met de rest van de reis, en stuiterden, socialer dan ooit, deuren openhoudend opgelucht de trein uit. Hield het daar op? Neen. De meligheid cum saamhorigheid sloeg zelfs over op de wachtende massa. Mensen met door de vertraging lege telefoons werden geholpen aan ov-info door mensen met nog wel batterij. Er werden peuken gebietst- en gegeven. De conducteur en machinist van onze trein kregen een thumbs-up waardoor ze nu waarschijnlijk nog van slag zijn: ze waren voorbereid op klappen. En een gast waar ik in het wild met een straal van 100 meter omheen was gelopen hield een plekje voor me vrij in de volgende overvolle trein.
En nu ben ik eindelijk thuis. Gefrustreerd? Gek genoeg niet. Nagrijnzend mijmerend over de onverwachte sociale effecten, geniet ik des te meer van mijn kop opgewarmde soep. Hoe hard Murphy ook zijn best deed om verdeeldheid en sacherijn te zaaien, de wet van Cruijff kwam, zag en overwon uiteindelijk glorieus. Want elk nadeel heb inderdaad zijn voordeel. Amen to that, bro.

AAG
AAG-klein

Loop of Love? That’s the question.

Rick Treffers is iemand die niet onder één noemer te plaatsen valt. Hij is zanger, componist, producer, maker van muziek- en theatervoorstellingen en initiatiefnemer van de huiskamerconcertenserie Live in the Living. In 2015 bracht hij als Mist, de cd ‘The Loop of Love’ uit. Rick nam het album op in het Spaanse Valencia, waar hij sinds een paar jaar regelmatig verblijft. Op een zonnig terras vlakbij het Westerpark in zijn oude vertrouwde Amsterdam sprak hij afgelopen zomer met Nicole Broekema over zijn muziek, zijn inspiratie en zijn dromen.

Het is even stil geweest rondom Mist, maar je bent nu weer terug met een nieuwe cd, ‘The Loop of Love’. Je bent de cd nu aan het promoten. Je was bij de radio zag ik?
‘Ja, ’s nachts bij de EO, vier nummers live spelen. En bij Omroep Friesland. Daar ben ik altijd welkom. Verder een aantal huiskamerconcerten in Nederland en dan naar Duitsland en Amerika. Als je een jaar lang in een studio gezeten hebt wordt het toch wel een beetje eenzaam. Niet zo zeer qua vrienden, maar meer omdat je dan de hele tijd bezig bent met die cd. Je hebt geen idee wat het verder gaat opleveren. Dan komt de cd uit en gebeuren er heel veel dingen. Je komt weer naar buiten. En dat is ook wel een opluchting.’

Ook spannend, qua recensies?
‘Ja, heel spannend. Ik probeer recensies altijd met een korrel zout te nemen. Maar je hoopt altijd dat het hele positieve recensies zijn. En tot nu toe gaat het aardig.’

Treed je nog steeds op met Mist?
‘Met één van de bandleden, Ivar Vermeulen, heb ik altijd samengespeeld. Een andere goede vriend van me, Jeroen Luttikhuis, speelde ook bij Mist. Maar in 2009 zijn we met de band gestopt. Ik had allerlei andere projecten en zij hebben drukke banen en kinderen, dus er was weinig tijd meer voor de band. Toen ben ik naar Spanje gegaan. In 2013 had ik plotseling allemaal Engelstalige nummers. Toen heb ik ze gemaild: “Kijk, een paar nieuwe nummers, wat vinden jullie ervan?” “Nou tof, te gek….nieuwe plaat maken?”, was het antwoord. Ze hebben me heel erg gestimuleerd en op afstand meegewerkt aan de cd. Ivar is ook naar Valencia gekomen en een weekend lang hebben we allerlei dingetjes opgenomen en beluisterd. En hier in Amsterdam hebben we ook iets gedaan, bij Jeroen in zijn thuisstudio. Ik heb daarnaast een aantal Spaanse muzikanten gevraagd mee te spelen. Het is een project waar meerdere mensen aan mee hebben gewerkt, maar meer dan ooit mijn plaat. Ik heb de productie en arrangementen grotendeels zelf gedaan en veel zelf ingespeeld. Het is in dat opzicht eigenlijk meer een soloproject. In Spanje treed ik nu op met een volledig nieuwe band, om het nieuwe album te promoten.’

Je hanteert verschillende muziekstijlen en zingt in diverse talen. Bepaalt de muziekstijl of je wel of niet met een band werkt?
‘De cd’s van Mist klinken als een band, maar ik kan het repertoire ook solo spelen of in kleine akoestische bezetting. En ook als band dus. De twee Nederlandstalige cd’s die ik in 2007 en 2010 maakte heb ik in mijn eentje opgenomen en vormgegeven, met medewerking van diverse muzikanten. Het was geen band, maar live heb ik wel een band geformeerd toen. De liedjes op de tweede cd Prettige Vooruitzichten gingen over het verlangen om weg te gaan uit Nederland naar een warmhartiger land. Het is natuurlijk autobiografisch want ik ben het uiteindelijk ook gaan doen. Live heb ik het album omgevormd tot een documentaire op toneel. Ik speelde in mijn eentje de instrumenten maar het klonk wel een beetje als een band want mijn geluidsman Frans Roovers bediende de rest van de apparaten. Het was een muziektheatervoorstelling over Rock Truffels, een fictief personage, een soort rockster, die vooral bekend is ver buiten Nederland. In die voorstelling waren er acteurs en bekende Nederlanders als Leo Blokhuis en Paul de Munnik die op televisieschermen hun persoonlijke ervaringen met Rock vertelden. Het was een toneelstuk in combinatie met beeld en mijn liedjes. Maar na deze productie dacht ik: “Oké, ik kan nu doorgaan met Nederlandstalig en dan speel ik over tien jaar misschien voor 80 man in een theatertje ergens in Nederland. Heb ik daar wel zin in?”. Want met Mist had ik al een internationale carrière. En dat wilde ik niet opofferen’.

Je had toen al een internationale carrière?
‘Ja. Met Mist speelden we in Zuid-Amerika, in veel Europese landen en vooral in Spanje. En ik wilde toch weer terug, de grens over. Ik had al heel lang het verlangen om terug te gaan naar Spanje waar ik al een jaartje had gewoond toen ik 23 was. Toen ben ik vier jaar geleden opnieuw gegaan. Op avontuur.’

En heb je ook iets in het Spaans gedaan?
‘Ik heb een project gedaan toen ik in Spanje aankwam. Dat heet ‘El Turista Optimista’ met liedjes in het Spaans.
Het zijn liedjes die de Spaanse cultuur met liefde op de hak nemen. Ik heb videoclips waarin ik zing; “O, het is allemaal geweldig hier maar waarom halen ze het vuilnis pas om drie uur ’s nachts op?”. Liedjes over culturele gewoontes die ze in Spanje heel logisch vinden maar voor Nederlanders een beetje vreemd zijn. Daar zing ik over, met een glimlach, maar ook met een soort ironie.’

In het Spaans zijn jouw liedjes een knipoog naar hun cultuur. Maar in de Nederlandse nummers zitten venijnige teksten. Is het de taal die daarin meespeelt?
‘Mijn Engelstalige liedjes gaan vaak over de liefde en over relaties. Op één of andere manier komen die bij mij altijd eruit in het Engels. De Engelstalige liedjes maak ik thuis op mijn gitaar of keyboard, terwijl ik klanken met mijn stem maak. Vanuit die klanken ontstaan woorden en vanuit die woorden maak ik dan weer de tekst. Toen wilde ik een liedje schrijven in het Spaans, dat wilde ik een keer proberen. Wat eruit kwam was een liedje over de Nederlanders in Spanje. De liedjes van El Turista Optimista sloegen aan bij het Spaanse publiek. Ze zijn gemaakt vanuit mijn visie op Spanje. De teksten zijn daarbij misschien wel belangrijker dan de muziek en ontstaan meer vanuit het inhoudelijke idee dan vanuit de klank van de woorden.’

En in het Nederlands?
‘Dat zit er een beetje tussenin. Ik heb Nederlandstalige liedjes die over de liefde gaan en die zijn eigenlijk net zo tot stand gekomen als mijn Engelstalige teksten, alleen het Nederlands heeft hardere klanken door al die medeklinkers. Daardoor klinkt het af en toe minder zacht, minder lief. Die eerste Nederlandstalige plaat is qua thematiek en inhoud best wel heftig. Ik maak er ook nogal wat woordspelingen in en dat kan tricky zijn. In het Engels zou ik het niet durven, want het is niet mijn moedertaal. De Nederlandse liedjes van de eerste twee platen zitten een beetje tussen serieus en grappig in.’

Hoe ben je in de muziek gerold? Gedoken, gekozen of niet?
‘Mijn vader was amateurmuzikant. Hij speelde piano en accordeon. Ik zong in de klas op de lagere school. We hadden een leuke lerares die ons allerlei liedjes leerde zingen. Dat vond ik heel leuk. Als puber raakte ik samen met mijn neef geïnteresseerd in hardrock en heavy metal. Voordat ik het wist was ik zanger in een hardrockband, met vrienden uit Haarlem. Ondertussen maakte ik de HEAO af. In de muziek ben ik totaal autodidact. Ik heb toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium – als zanger – maar werd niet aangenomen. Eén van de leden van de toelatingscommissie was Edwin Rutten. Ik liet een liedje van mezelf horen op de Spaanse gitaar van mijn zus. Hij zei: “Je bent niet aangenomen, dat is jammer, maar dat eigen lied wat je deed, dat was goed. Dus misschien kan ik je een tip geven. Je moet verder gaan, maar meer als componist dan als zanger”. Dat heb ik ter harte genomen. Ik ben vervolgens in Madrid begin jaren negentig begonnen met het schrijven van heel veel liedjes en bracht in 1995 mijn eerste plaat uit met mijn eerste eigen band, Girlfriend Misery. Daarna heetten we Miss Universe en in 2002 veranderden we de naam in Mist. Na de cd ‘We Should Have Been Stars’, in datzelfde jaar, dacht ik echt van “Ja… dit is het, hier sta ik zó achter”. Ik was toen 35 jaar oud. Toen pas had ik het gevoel dat ik serieus als componist èn zanger door wilde gaan. Wat dat betreft ben ik wel een beetje een laatbloeier, geloof ik.’

Vind je het belangrijk dat je mensen raakt met jouw muziek?
‘Ja, ik maak die muziek niet alleen voor mijzelf. Anders zou ik niet optreden. Ik maak het vanuit mijzelf en het is voor mij belangrijk dat het ook aankomt bij de mensen. Ik put uit mijn ervaringen en liefdes. Dat zijn dingen die eigenlijk universeel zijn en die veel mensen herkennen. Ik heb toevallig het talent om zowel met muziek als met taal iets te vertellen. Het is een enorme kick om dat te kunnen doen.’

Jouw cyclus van schrijven, loopt die continu door?
‘Nee. Vroeger wel. Toen schreef ik altijd. Maar toen zocht ik ook richting. Nu is bijna alles wat ik schrijf blijvend. Het is heel leuk om het oude werk terug te horen. Ik vertelde toen eigenlijk te veel en wilde heel veel uitleggen, ook in de teksten. Soms moet je juist niet alles uitleggen, dan komt er meer ruimte voor interpretatie. Dat is gewoon een kwestie van ervaring en van veel doen. Je zit in een bepaalde context, je leeft in een bepaald soort leven en van daaruit heb je bijna alles al. Je talent en inspiratie is dan een klein, maar zeer belangrijk deel. De rest is context.’

Context is de basis voor jouw creatieproces?
‘Context is misschien wel belangrijker dan inspiratie. David Byrne van de ‘Talking Heads’ schrijft daarover in zijn boek ‘How Music Works’. Geweldig boek! Zo herkenbaar wat hij allemaal in zijn boek schrijft. Hij is ook muzikant maar hij is heel erg wetenschappelijk bezig geweest met al zijn ervaringen. Hij heeft ook veel landen bezocht en gekeken hoe muziek daar gemaakt en beleefd wordt. Superinteressant. Hij schrijft op een hele toegankelijke manier. Niet droog. Als een soort dagboek over wat hij meegemaakt heeft als muzikant. Fantastisch.’

Je hebt alles zelf georganiseerd en geregeld. Er zit een zakelijkheid en organisatietalent in jou.
‘Ik kan organiseren en ben ondernemend als het op promotie van mijn muziek aankomt. Maar soms hangt succes ook af van ‘being at the right place at the right time’. Vaak zijn er binnen industrieën en systemen mensen en partijen die van invloed zijn. Als je die niet mee hebt, dan kun je doorbreken wel vergeten. Tenzij je via YouTube zelf een hit scoort of zo. Maar ik ben realistisch en praktisch ingesteld en doe het met de dingen die ik heb. Een lange adem, onder andere.’

Je zegt dat je heel ondernemend bent en dat het belangrijk is dat je met jouw muziek mensen raakt. Ben je op zoek naar een bepaalde doelgroep? Ben je daarmee bezig bij het schrijven van muziek ?
‘Het maken van muziek en het op de markt brengen van muziek zijn voor mij twee strikt gescheiden dingen. Wanneer ik muziek maak denk ik niet: “OK, als ik nou dit soort muziek maak en als ik hier een dingetje bij doe dan vindt het publiek het mooier”. Absoluut niet, want dan zou ik mezelf tekort doen. Dan ga je ‘toegepaste muziek’ maken. En ik denk dat de beste muziek, de meest persoonlijke en de meest authentieke muziek is. Soms als ik met Ivar aan het luisteren ben naar een nieuw nummer, dan zeggen we wel eens “Misschien kunnen we het een beetje arrangeren zoals die-en-die band”. Dat wel. Natuurlijk word ik beïnvloed door de huidige tijd. Er is zoveel muziek gemaakt en er zijn zoveel ritmes en geluiden die al een keer gemaakt of gebruikt zijn, die dingen gebruik je dan gewoon ook. Maar wat je er verder mee doet dat is jouw interpretatie.’

Heb je nog een grote droom of passie?
‘Muziek en taal zijn mijn twee passies. Zolang ik die op een creatieve manier kan gebruiken in mijn leven, en daarmee mensen kan bereiken, ben ik tevreden. Verder wil ik heel veel andere nummers maken, en muziek voor beeld en theater maken, dat soort dingen. Ik zou ook graag nog meer willen reizen met mijn muziek. Of zonder muziek, om bijvoorbeeld rapportages te maken. Leven als muzikant is een risicovol bestaan maar ik zal altijd dingen blijven produceren en bezig zijn met dingen die ik leuk vind. Ik zal in dat opzicht nooit in een gat vallen. Ik wil qua werk mijn eigen baas zijn, dat ben ik altijd geweest en die vrijheid vind ik aangenaam.’

Interview: Nicole Broekema
Foto: Jasmijn Schrofer

Kunst, geen scheikunde

Een interview met Inge Aanstoot ontaardt al snel in een maalstroom van associaties die je in een fractie van een seconde mijlenver van de gestelde vraag voeren. Gedachten kronkelen oneindig voort en voor je het weet ben je – met oneindig veel plezier – drie uur verder en zijn je vragen eigenlijk nog niet eens aan bod gekomen, laat staan beantwoord. Wie de schilderijen van Inge kent, zal dit niet verbazen. Al sinds haar afstuderen in 2009 worden haar doeken omschreven als ongebreidelde associaties waarvan zij geleidelijk steeds meer de dirigent geworden is. Samen met Thierry Reniers blikt Inge terug op haar ontwikkeling als beeldend kunstenaar en vertelt ze over haar uitdagingen voor de komende zes jaar.

Hoe heb je de periode sinds je afstuderen ervaren?

Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)
Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)
‘Op de academie had ik nog niets geleerd over wat er als kunstenaar op je afkomt. Dat is ook best fijn. Voor de eerste solo bij Vonkel had ik gewoon al werk klaar staan. Er werd nog helemaal niet aan me getrokken. Dat veranderde toen ik steeds vaker de vraag kreeg of ik voor die-en-die beurs werk beschikbaar had. Gelukkig vaar ik wel bij deadlines en kan ik soms best een nachtje doortrekken, maar als je ook drie dagen in de week bij De Tuinen werkt blijft er weinig ruimte in je hoofd over om inhoudelijk stappen te kunnen zetten. Elke beginnend kunstenaar loopt hier natuurlijk tegenaan, maar het is fijn dat ik me nu helemaal op de kunst kan richten. Frustraties over het proces kunnen overigens ook leiden tot heel goede resultaten. ‘The Young Artist’ is bijvoorbeeld zo’n frustratie-explosie en gaat over de worsteling die je als kunstenaar doormaakt. Hierdoor is het een heel atypisch werk geworden, ook wel een sleuteldoek eigenlijk.

Kun je iets vertellen over je zogenaamde sleuteldoeken?
‘Lang was ‘Fever Pitch’ het sleuteldoek, hoewel dat op een heel andere manier tot stand gekomen is. Na een periode waarin ik juist veel tijd had om maar wat aan te klooien, werd ik gevraagd om een werk te maken voor een expositie bij TENT en dat gaf een positieve ‘boost’. Terugkijkend zie ik dat sleuteldoeken steeds ontstaan als er iets wezenlijks in mijn leven verandert. ‘Caught In the Act’ ontstond bijvoorbeeld toen ik me veel meer in kunstenaarsinitiatieven en atelierpanden ging mengen en er ‘getouwtrek’ over mijn werk ontstond tussen Galerie Jaap Sleper en Vonkel. Het schilderij gaat deels over mijn eigen positiebepaling. In de afgelopen zes jaar heb ik vooral geleerd om tegen autoriteiten als museumdirecteuren en galeriehouders te durven zeggen wat ik vind en hoe ik het graag wil hebben. Wat daarbij helpt, is dat ik inmiddels zelf ook beter weet waar ik het over heb.’

Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)
Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)

Hoe is je persoonlijke ontwikkeling verder in je werk terug te zien?
‘Verhalenvertellers’ (2010), ‘Land’s End’ (2009) of ‘Pomegranates’ (2009) staan bol van de associaties en ik kan van elk element zeggen wat het betekent of waarom het staat waar het staat. ‘Gamma Delta’ (2015) en ‘Sabi’ (2015) zijn voor mijn doen daarentegen heel lege schilderijen en ik mag die nu ook maken van mezelf. Ik hoef niet meer alles wat ik zie of denk in één schilderij te stoppen. Tegelijkertijd hoeft voor mij niet langer alles in een schilderij over hetzelfde thema te gaan. Ik ben me er ook meer van bewust dat wat ik op een doek smijt, hoe dan ook gezien wordt als een statement. Als ik een vogel met een steigerpijp in zijn kont schilder, wordt dat per definitie als symboliek gezien, alleen maar omdat ik het heb geschilderd. Ik voel niet meer zo de verplichting om alles te moeten verklaren. Het is kunst, geen scheikunde. Bovendien is het een beetje zoals wanneer je op een feestje net het einde van een verhaal niet hoort. Dat verhaal blijft voor altijd spannend. Op eenzelfde manier wil ik dat mijn doeken een spannende relatie met mijn gedachten aangaan. Ik wil niet louter de illustrator van mijn ideeën zijn. Daarom ben ik ook geen puur politiek geëngageerd kunstenaar. Ik heb heus wel meningen over politiek, maar ik vind het niet zo interessant om die één op één in een schilderij te verwerken. Schilderkunst is daar voor mij gewoon niet het medium voor.’

Waar is beeldende kunst in jouw optiek dan wel een geschikt medium voor?
‘Met beeldende kunst kun je veel meer doen dan alleen een mening geven of een stelling innemen. Je zaait iets, zet mensen ertoe aan zelf hun gedachten op te maken. Ik wil graag open vragen stellen, zodat de toeschouwer zelf tot antwoorden of tot nieuwe vragen kan komen. Als ik in het Rijksmuseum voor het huwelijksportret van Frans Hals zou staan en Frans Hals zou daar zelf zijn om een toelichting te geven, dan zou ik hem niet vragen wie hij nou precies heeft geportretteerd. Het gaat mij erom dat hij me aan het denken zet op manieren die veel verder gaan dan de pure afbeelding. Ik wil het juist over deze ‘metadingen’ hebben.’

Kun je stellen dat je vrijer bent geworden in de manier waarop je een schilderij maakt?
‘Over sommige dingen ben ik meer gaan nadenken, over andere minder. Over het precieze hoe en waarom ik elementen in een doek stop een stuk minder bijvoorbeeld. Soms is het gewoon ook te veelomvattend. In ‘On Rites’ ligt bijvoorbeeld een dode zeehondenpuppy met wormen die uit zijn kop komen. Dit is een beeld dat regelrecht uit een documentaire van David Attenborough komt. Ik kijk elke avond voor het slapen gaan naar zijn documentaires, omdat ik het interessant vind om te zien wat de natuur aan fascinerends voortbrengt. Daarnaast is zo’n zeehondenkop in combinatie met krioelende wormen en zeesterren ook nog eens een heel esthetisch beeld. Maar in een groter plaatje vind ik het stuitend dat mensen liever gaan winkelen dan dat ze zich verdiepen in de natuur, dat ze hun kinderen meenemen naar de dierentuin, maar niet de bordjes lezen en ook nog eens amper naar de beesten kijken. Het schilderij gaat over al die dingen. In mijn inhoudelijke keuzes ben ik dus wel vrijer geworden. Toch ben ik me ook meer bewust van de reacties op wat ik doe. Bij mijn eerste werken vroeg iedereen bijvoorbeeld waarom ik met zoveel druipers schilderde. Dat deed ik niet bewust, het was inherent aan de vele lagen verdunde acryl die ik gebruikte. Voor mij waren die niet zo aanwezig, maar mensen moeten het natuurlijk niet alleen over die druipers gaan hebben. Hetzelfde met al die witte mensen die op lijken schenen te lijken. Als één persoon die associatie heeft, trek ik me daar weinig van aan. Als teveel mensen die hebben, vind ik dat wel een reden om me af te vragen waarom ik mensen zo in beeld breng. Het moet immers ook geen trucje worden. Zoals een vriend van me weleens gekscherend zei: ‘Het werk van Inge, dat is een zooitje planten, dode beesten en een wijf met een vinger in haar kut.’ Ik laat inderdaad bewust bepaalde elementen in mijn werk terugkomen, maar wil wel dat elk nieuw werk iets toevoegt en dat ik daarin zelf stappen zet. Daarom oefen ik ook heel veel op kleine schilderijtjes, die bijna allemaal mislukken. Waarom kan ik dat nu niet, terwijl ik doeken van twee bij drie meter zonder enige moeite voor elkaar krijg? Dat zijn uitdagingen die ik mezelf stel.’

Wat zijn verder de opvallendste veranderingen in je werk?
‘De gezichten in mijn werk zijn uiteindelijk realistischer geworden. Mijn werk is in zijn totaliteit ook meer in evenwicht, vind ik, doordat ik duidelijkere keuzes maak. Daarnaast schroom ik minder om beelden te ‘jatten’. Waarom zou ik zelf moeten gaan bedenken hoe een dode zeehond erbij ligt, als een documentaire dat veel beter in beeld kan brengen? Zolang het past binnen wat ik wil overbrengen en binnen mijn manier van werken, vind ik dat ik ook werk van andere kunstenaars in mijn schilderijen mag integreren. In ‘Caught In the Act’ is bijvoorbeeld in de achtergrond mijn versie te zien van ‘Mr and Mrs Clark and Percy’ van David Hockney. Verder heb ik in dit doek een onderkant van een poster van Egon Schiele verwerkt en een half verfrommelde tekening van Leopold Rabus. Mijn werk gaat onder andere over hoe beelden en informatiestromen ons overspoelen en beïnvloeden, waarom zou ik me dan schuldig voelen om die beelden onderdeel te maken van mijn schilderijen? Het gekke is dat deze vrijheden er soms ook toe leiden dat ik juist minder aan mijn doeken toevoeg. De helft van ‘Gamma Delta’ wordt nu gevormd door een mintgroene muur en dat is eigenlijk spannender dan wanneer de achtergrond helemaal zou zijn ingevuld, zoals ik eigenlijk van plan was. Ook technische afwegingen gaan een grotere rol spelen. In ‘Sabi’ heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om de voet van de rechterpersoon onaf te laten en toch valt bijna niemand dat direct op.

Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)
Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)

Waar denk je dat je werk heengaat?
‘Ik merk dat er meer ruimte voor abstractie ontstaat, ook al denk ik niet dat ik ooit alleen maar vlekken en stroken zal gaan schilderen. Daarnaast ligt voor mijn gevoel de weg vrij om met andere formaten te gaan experimenteren of me toe te gaan leggen op andere media, zoals sculpturen of performances. Hoe concreter de idee wordt die je wilt uitdragen, hoe meer mogelijkheden er lijken te zijn om die te verbeelden. Schilderen ligt me natuurlijk en ik zou ook best tot het einde der dagen planten, beesten en wijven kunnen blijven schilderen. En af en toe een man. Maar naarmate mijn concept duidelijker wordt, is het misschien logischer om ook andere media te gebruiken. Ik ben niet echt een type dat een paar houten kratten in een weiland zet en er dan een tekst bij plaatst. Toch zie ik me in de toekomst wel combinaties van schilderijen en ruimtelijk werk maken. Alles wat comfortabel is, kan je immers ook beperken. Als ik merk dat schilderen alleen te comfortabel wordt, zou ik wel willen gaan verbreden.’

Wat is je uitdaging voor de komende zes jaar?
‘Ik hoop zo zelfkritisch te blijven dat ik over zes jaar toch niet die kunstenaar blijk te zijn die lekker makkelijk is blijven schilderen. Een vastomlijnd plan om dat te voorkomen heb ik echter niet. Mijn ervaring is dat het zich wel aandient. Maar als morgen Thom Puckey me belt en zegt ‘Ik ga jou eens leren om een marmeren beeld te maken’, dan zeg ik: ‘kom maar door.’

Je het ervoor gekozen om na de Willem de Kooning Academie geen vervolgopleiding te gaan doen. Overweeg je dat nog?
‘Ik heb na de academie wel geïnformeerd of dat iets voor me zou zijn, maar ze vonden me met 21 toen nog te jong. Op het moment dat ik vorig jaar met mijn bijbaan stopte, heb ik er opnieuw veel over nagedacht. Een masteropleiding levert je immers veel nuttige contacten op en je bent daarnaast ook omringd door gelijkgestemden met wie je lekker kunt bekvechten. Door hoe ik mijn leven en werk heb ingericht, heb ik die mogelijkheid echter nu ook. Het gevaar dat verder op de loer ligt, is dat docenten toch hun ‘legacy’ mee willen geven aan hun pupillen. Logisch, maar ik zie ook vaak een te grote kloof tussen docenten en de nieuwe generatie kunstenaars. Als ik een master zou gaan doen, ben ik ook bang dat ik me gedwongen zou voelen om te snel stappen te zetten. Ik heb nu de vrijheid om dat meer tijd te geven en dat is eigenlijk heel fijn. Op korte termijn ga ik het dus zeker niet doen, maar als ik op een punt zou komen dat ik echt niet meer weet hoe ik verder moet, blijft het een overweging. Hoewel ik dan misschien eerder een goede cursus keramiek zou gaan volgen om nieuwe impulsen te krijgen. Of misschien een masterclass tekenen.’

Tekst:Thierry Reniers
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Wat is het toch met Mini?

In mijn kennissenkring heb ik twee Mini-rijdsters. Al kan ik niet helemaal uitleggen waarom, beide dames vind ik inderdaad echte Mini’s. Ondanks enorme verschillen qua karakter, werkkring, sociaal leven en persoonlijke interesses. Het heeft iets te maken met een klein, eigenwijs autootje waar stiekem een heleboel power in verstopt zit. Surprise! Een Mini rijden is een statement. Maar waarom kiezen die dames voor Mini? De ene kan het alleen maar gevoelsmatig uitdrukken: “Tja, het is het gewoon. Waarom, geen idee. Maar het moet een Mini zijn.” En als ik haar dan weer weg zie scheuren in dat ding, denk ik, ja, ik kan me jou ook niet in een andere auto voorstellen. Kiezen vrouwen eerder een kleiner autootje? Ik denk het wel. Bij mannen speelt toch al gauw uiterlijk vertoon een rol, vrouwen zijn praktischer: waar heb ik hem voor nodig? Kan ik hem overal parkeren? Vrouwen hoeven ook niet per se de strijd aan met andere autobezitters. Alhoewel: daag ze niet uit.

Lang, lang geleden had mijn moeder een klein, opvallend, want knalrood Fiatje. Niet zichtbaar was dat het bakkie best wel wat vermogen onder de kap had. Enfin, wij reden met zijn tweetjes naar opa en oma. De snelweg ging als een zonnetje, maar toen…. Bij een lange afrit zat er een dikke bak vervelend in haar kofferbakje en die overschreed haar irritatiegrens. Daar moet je echt heel veel voor doen, maar als je hem bereikt… Zoek dekking. Voor het eerste stoplicht kwam hij opdringerig naast ons staan gieren met zijn gaspedaal. Mijn moeder bleef strak vooruit kijken, zette haar kaken op elkaar, stak haar kin vooruit en neus in de lucht en zei: “Houd je vast.”
Ze trok die bak van hem er volledig uit tot het tweede rode stoplicht. Zelfde scenario, alleen vlak dáárna werden de twee banen één baan, met een bocht erin. Tricky. We hadden echter één voordeel: mama kende die weg met haar ogen dicht. Ze vertrok nog steeds geen spier, maar zei triomfantelijk: “Nog eens”. En trok hem er een tweede keer finaal uit, zodat hij tot aan het dorp verplicht achter ons moest blijven. Uiteraard bleven wij netjes onder de maximum snelheid tot onze afslag. Toen zei ze, nog steeds met effen gezicht: “Nu ga ik iets doen wat jij niet mag”, en gaf de man stralend dé vinger. Terwijl hij bloedlink vol gas uit beeld scheurde, bescheurden wij het van het lachen.
Achteraf bezien: het autootje paste verdomd goed bij haar karakter. Dus speelt gevoel toch echt een grote rol bij je autokeuze? Een soort instinctieve relatie met je auto? Lijkt er wel op. Maar is een Mini een typisch vrouwenautootje, zij het met een ‘edge’? Om die vraag te beantwoorden, moet ik even terug, naar Mini vriendin 2. Zij had haar scheurijzertje geleased. De accountant in haar stak echter de praktische kop op toen haar leasecontract verliep. Overnemen van de oude Mini was buitenproportioneel duur. Een nieuwe leasebak was nog duurder. Er stond echter een showmodel bij de dealer… en die was wel te doen. Je voelt hem al aankomen. Er is een maar. De mannen van de garage hadden zich helemaal uitgeleefd op het showmodel. Met de nieuwste gadgets, speakers waarmee je je trommelvlies kan opblazen, spoiler, velgen, vette uitlaat en een uiterst fallisch antennetje vlak boven de spoiler als klapstuk. Het was een heuse man cave. In Mini formaat, dat wel. Ze vond het wel grappig eigenlijk. Zij in zo’n patserbakkie. Maar sinds ze in haar man-caveje rijdt valt ze van de ene verbijstering in de andere. Mannen met competitiedrift proberen haar van de weg te rijden. Vrouwen worden óf net zo agressief in de hoop aandacht te trekken, of ze dansen heupwiegend voor haar bumper in de verwachting dat er een rijke voetballer in zit. Als ze dan de vrouw achter het stuur ontdekken is de ontgoocheling compleet, van pruilen tot woede. Dat had ze met haar oude Mini nooit. Dus wat bewijst dit? Die verlengstukjes maken het verschil. In Mini Zonder ben je gewoon een eigenwijze Mini-vrouw en dat roept weliswaar een beeld op, maar smeekt niet om verdere actie. In een Mini Met moet je wel een vent met een hoop poen zijn om dat allemaal te kunnen betalen. En ook een vent met lef/karakter, anders zou je nooit een Mini kiezen, dan neem je een voor de hand liggender statussymbool. Die combi karakter en geld triggert de vrouw die prompt begint te baltsen. Het feit dat vrouwen dat aantrekkelijk vinden triggert weer de mannen die een onbedwingbare behoefte krijgen om zich te bewijzen. De moraal van het verhaal: denk goed na als je een nieuw auto gaat kopen. Gebruik niet alleen je emotionele betrokkenheid bij je automerk, of je verstand, maar luister heel goed naar het gevoel dat een auto oproept bij anderen. Anders zou er zomaar eens een verkeerd beeld kunnen ontstaan over wie jij bent. Nog maar 3 jaar en 8 maanden mannen bevechten en vrouwen van je afslaan te gaan, lieve vriendin. Sterkte.

AAG
AAG-klein

The Educator

In deze editie van POM Magazine deelt de Duitse pedagoog en filosoof, André Schütte, in het artikel ‘Tijd in geometrische vormen’ zijn kijk op het concept tijd. Op de vraag hoe hij het liefst afgeschilderd wil worden in dit artikel: als pedagoog of als filosoof, antwoordt hij pijlsnel: “als onderwijskundige”. Hoog tijd dus om de man achter de filosofische bespiegelingen nader onder de loep te nemen.

Zijn pad naar de universiteit van Siegen, waar hij aan verbonden is als onderzoeksmedewerker bij de vakgroep pedagogiek, verliep met veel zijwegen en omzwervingen. Als hij al een persoonlijk motto heeft, dan zou “Ik oefen, dus ik ben” waarschijnlijk het dichtst in de buurt komen. In eerste instantie wilde André journalist worden: hij koos voor Germanistiek en filosofie aan de Heinrich-Heine universiteit in Düsseldorf. De geschreven pers belandde echter in een financiële crisis, en omdat hij er allesbehalve zeker van was dat hij de gedroomde journalistieke baan zou kunnen vinden, had hij behoefte aan een plan B. Na een kort – en naar eigen zeggen teleurstellend – uitstapje richting musicologie, besloot Schütte pedagogiek aan zijn groeiende lijst van academische titels toe te voegen. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij in eerste instantie bevooroordeeld was en pedagogiek toch enigszins als een letterlijke B-keuze beschouwde; uitsluitend gemaakt zodat hij in geval van nood les kon gaan geven. Maar tijdens het behalen van zijn lesbevoegdheid voor Duits en filosofie aan de universiteit in Keulen kwam hij erachter dat pedagogiek ook een filosofische kant had. André, was verkocht.
De specialiteit van Schütte is de filosofie van Peter Sloterdijk. En dit is vooral interessant omdat Sloterdijk niet per se gespecialiseerd is in pedagogiek of theorieën op het gebied van educatie; André was er echter van overtuigd dat Sloterdijk een boel had bij te dragen aan het vakgebied. Hij bewees zijn gelijk door te promoveren op de theorieën van Sloterdijk aan de Universiteit van Keulen.

Hoewel het volkomen afwijkt van zijn oorspronkelijke droom om journalist te worden, eindigde André Schütte met de perfecte baan aan de universiteit: het bestuderen van leerprocessen en praktijken vanuit een filosofisch perspectief. Zoals hij meermaals benadrukte tijdens ons gesprek, beschouwt hij zichzelf bovenal als onderwijskundige en niet zozeer als filosoof of pedagoog. Zelf zegt hij erover: “Het is wel een beetje ironisch dat iemand die gespecialiseerd is in Peter Sloterdijk, die ons aanspoort om vooral plannen te maken, zoveel toekomstplannen heeft gehad die anders uitpakten. Sloterdijk leert ons dat alles wat we doen eigenlijk een herhaling is, maar wel een herhaling waar wij richting aan geven. Het hebben van een doel geeft ons de kans om naar perfectie te sterven. Je zou kunnen zeggen dat mijn huidige doelstelling is dat ik moet blijven leren, groeien en dus oefenen. Een leven zonder doel is zinloos, maar als je je uitsluitend focust op dat doel, zet je oogkleppen op en creëer je een tunnelvisie. Als een plan anders uitpakt, is dat niet per definitie falen. Het kan ook een deur openen naar een andere mogelijkheid.”

Tijdens het interview met André over het concept tijd, vroeg ik hem op een gegeven moment of ik nu met de man of de wetenschapper te maken had. Hij antwoordde dat het lastig is om onderscheid te maken tussen die twee: “de wetenschappelijke baan beïnvloedt hoe dan ook je persoonlijke leven en denkbeelden, dus je past je onherroepelijk aan.”
Goed. We hebben het hier over iemand met drie universitaire titels, die zelfs nog geprobeerd heeft een vierde daaraan toe te voegen, namelijk muziek. Er zijn bepaalde filosofische stromingen die een grote invloed lijken te hebben gehad op ontwikkelingen in de kunsten; zeg bijvoorbeeld “existentialisme” en iedereen roept meteen Sartre en de Beauvoir. Toen ik André vroeg naar de link tussen de kunsten en filosofie, zei hij: “Als je klassieke filosofie als een logisch systeem beschouwt, dan zou je kunnen zeggen dat tegenwoordig een groot aantal filosofen een logisch iets op een artistieke wijze proberen te presenteren. Veel filosofen, zoals Immanuel Kant, schreven puur logische teksten, en sommigen doen dat nog steeds. Maar tijdens de 19e en vooral de 20e eeuw ontdekten meer en meer filosofen dat we de wereld niet in een puur logisch kader kunnen dwingen; er is ook zoiets als een esthetische orde. De postmodernistische filosofen van de 20e eeuw gebruiken dat esthetische element: sommigen schrijven zelfs op een zeer poëtische wijze. En als we naar het concept tijd kijken in relatie tot kunst, dan zou muziek wel eens de kunstvorm kunnen zijn met de grootste mogelijkheden om heden en verleden met elkaar te verbinden. Neem sampling bijvoorbeeld, het gebruik van bestaande opnamen en kennis om iets nieuws te scheppen. Misschien is dat wel waarom ik me tot musicologie aangetrokken voelde.”
Als ik tot slot vraag of kunst ons filosofie kan leren, zegt hij gedecideerd: “nee, dat is echt een stap te ver. Kunst toont ons filosofie.” En na een korte stilte voegt hij toe: “onder andere.”

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: Maxi Uellendahl

Modegrill?

Afgelopen weekend rook ik ineens een brandlucht. Gealarmeerd begon ik mijn huis door te snuffelen, tot ik halverwege de keuken een kruising tussen déjà vue en Aha-erlebnis kreeg. Het zal toch niet weer….

Het was vorig jaar, een bloedhete zomerse dag. Ik deed de voordeur open en stapte een huis binnen dat blauw stond van de walmende rook. Als een razende rende ik naar de keuken, checkte de kookplaat, waterkoker, de wasmachine, alle mogelijke apparaten, stekkers… Niets. Ik stormde het balkon op, tegelijk met mijn buurvrouw die haar nachtdienst probeerde weg te slapen maar wakker was geworden van de rooklucht. We hoorden het eerder dan dat we het door de zwarte rookpluimen konden zien: biertjes die open werden getrokken, mannenstemmen, dreunende muziek op de achtergrond. We hingen over de balkonrand en zagen onze kersverse onderbuurman met zijn maatjes vrolijk lappen vlees op een walmende barbecue gooien. Het sissende vet had de enorme rookwolken tot gevolg waar wij zo van geschrokken waren.

Allereerst: ik ben niet tegen barbecue. Iedereen moet vooral lekker zelf weten wat ie eet. Toegegeven, ik zal zelf niet gauw een barbecue organiseren, maar ik doe gezellig mee, als er voor mij maar iets zonder dierlijke eiwitten te happen is. In dit geval werd ik nog witheter dan die grillplaat. In de maanden daarvoor hadden we namelijk al met de halve flat diverse aanvaringen met deze meneer gehad. We zijn best tolerant, hoor. Feestje prima, maar om 00.30 uur je muziek zo hard hebben staan dat jouw zes buren denken dat de muziek in hun eigen huis aan staat, nee. Tikken op muren en verwarmingsbuizen (de milde vorm van sociale correctie hier) hielp niet. Blijkbaar geen natuurtalent op sociaal gebied, dus uiteindelijk kwam rond half 2 de politie eraan te pas.
Hij reageerde verbijsterd: hij was alleen maar een beetje aan het chillen met vrienden, dat moest toch kunnen! Ohoh. Een paar dagen later was het weer bingo toen we om 04.30 uur met drie man sterk op zijn bel geleund hebben, tot hij met zijn verdoofde party-oortjes besefte dat hij weer iedereen zijn bed uit had gedreund. Als tegenreactie deden wij buren alles wat we normaal gesproken uit consideratie met buren uitstellen tot een fatsoenlijk tijdstip, zoals vanaf 6 uur ’s-ochtends wasmachines laten denderen en op hakken lopen. Tijdens een extreem vroege stofzuigsessie kwam hij met brakke kop op mijn bel leunen. Toen ik vriendelijk zei: “ja, vervelend he, als je buren geen rekening met jou houden,” leek het kwartje te vallen.
Nou niet dus, zo ontdekten buurvrouw en ik op onze balkonnetjes. We hebben hem over de balkonrand hangend gevraagd of hij nou werkelijk niet kon bedenken dat hij minstens 5 huizen vol stank en rook zette. “Nou en?”, was de reactie. Oooh-keee. Zelf uitdoen zat er kennelijk niet in. Dan dus maar een handje helpen. Dus heb ik met buuv samen een paar grote emmers water naar beneden gekieperd. Nog meer stank, maar de genoegdoening woog er ruimschoots tegenop. Prettige bijkomstigheid was, dat de buren van nog een verdieping hoger ondertussen de brandweer hadden gebeld, omdat ze dachten dat het gebouw aan het affikken was. Hij was door beide acties zo nijdig dat ik me serieus afvroeg of er klappen zouden gaan vallen. Dat viel mee. Het duurde, dankzij de slechte ventilatiemogelijkheden, vier dagen voor de geur van braadworsten en speklappen uit mijn huis verdwenen was, maar Goddank kwam er geen herhalingsoefening meer die zomer.

Dit jaar is barbecue echter hotter dan hot. Het is mij een raadsel hoe dit ineens zo’n modegrill heeft kunnen worden. Overal wordt immers gepropageerd MINDER vlees te eten. Beter voor je gezondheid, het milieu en het wereld voedselprobleem. Is het een tegenbeweging? Een lobby van de vleesindustrie? Een noodkreet van mensen voor wie “geef ons heden ons dagelijks vlees” het devies is? Wat mij in ieder geval opvalt, is dat het als een echt mannending gepresenteerd wordt. Maar misschien is het dat altijd al geweest: ik ken mannen genoeg die met geen stok de keuken in te meppen zijn, maar territoriaal worden zodra er een barbecue in het spel is. Het heeft iets oers, denk ik. Combi van fikkie stoken en de grotere behoefte aan proteïne vanwege meer spiermassa misschien?

In ieder geval vliegen de stoere grillmasters je overal om de oren. En daar schijnt een baard bij te horen. Geen idee waarom. Hele supermarktbladen zijn gewijd aan de zomerse kunst van het vlees grillen. Een Belgisch biermerk geeft gratis firestarters mee bij een kratje, ter aanvulling op hun reclame waarin BBB ineens een hele andere betekenis krijgt dan in de sportschool: Bier+Baard+Barbecue. Gisteren kreeg ik een mailtje van Thuisafgehaald dat ze hun meest actieve mensen graag willen uitnodigen voor, jawel, een barbecue. Met een masterclass Fatty maken door een heuse grillmaster. Schijnt een Amerikaans BBQ klassieker te zijn. Een grillmasters’ plaatje was bijgevoegd: wederom een baardige man. Extra grappig: er staat met KOEIENLETTERS in hun database dat ik vega(n) kook en mijn actieve status is daaraan gerelateerd. Ik heb maar een mailtje teruggestuurd dat ik dat feestje even oversla.

Bottomline: BBQen is hét werkwoord van deze zomer. De buurman onder mij leek uit de hype in ieder geval voldoende moed te hebben geput om de barbeknoei toch weer op het balkon te gaan stoken: Iedereen doet het immers? Ik had de emmer alweer klaarstaan, maar blijkbaar had onze opvoeding toch resultaat gehad. Op mijn vriendelijke opmerking of hij misschien vergeten was dat we hier niet aan buren uitroken doen en dat er voor de onbedwingbare BBQ neigingen in het park speciale plaatsen zijn ingericht, volgde een mompelend sorry en werd het fikkie geblust.
Maar heel, heel even flikkerde er iets in zijn ogen. Dat koeien heilig kunnen zijn wist ik al, maar dat dit buiten India ook opging voor de levende (nah ja, ooit eens) variant niet. Het roosteren van vlees als een soort van fundamenteel recht: kom daar niet tussen.
Waarom? Volgens het Belgische biermerk moet je een man zijn om dat te weten. Heren, anyone?!

AAG

AAG